4 m’s:
(Piet Kaashoek)
1.
Inleiding: wat is macht?
Met behulp van definities van 'macht' in psychologische, politicologische, communicatiewetenschappelijke en linguïstische zin volgt een nadere afbakening van dat begrip. Er bestaat een ingewikkelde driehoeksverhouding tussen macht aan de ene kant en individu, groep en instituties aan de andere kant.
Hoe kan die verhouding concreet worden gemaakt? Als voorbeeld de Nederlandse samenleving van na de Tweede Wereldoorlog. Nieuwe groepen dienen zich aan: Molukkers, gerepatrieerde Nederlanders (in de jaren vijftig), buitenlandse werknemers (sinds de jaren zestig ), rijksgenoten uit Suriname (jaren zeventig) en groepen vluchtelingen en asielzoekers (in de jaren tachtig en negentig).
Telkens staat de maatschappij voor de vraag hoe op deze ontwikkelingen te reageren. Een vraag die aan het individu (aan Nederlanders), aan etnische minderheden zelf als groep en aan instituties als politieke partijen en overheid wordt voorgelegd. Standpuntbepaling van het individu gebeurt in het café om de hoek, in de sportkantine, op verjaardagen en in de media. De communicatieve weg, via media, is voor een wetenschapper wat eenvoudiger te onderzoeken. Kranten, radio, televisie en Internet brengen beelden van vluchtelingenkampen. Laten zien hoe Nederland asielzoekers opvangt. Berichten over individuele gevallen kleuren de perceptie van de groep ‘asielzoekers’ , zoals het nieuwsbericht dat prominent op de voorpagina van De Telegraaf prijkt met de kop: 'Asielzoeker steelt appel'.
Binnen dit complexe geheel van macht, minderheden, media en moedertaal, drie deelvragen:
· Zijn minderheden (on)machtig?
· Hebben media macht?
· Drukt moedertaal macht uit?
2.
Zijn minderheden (on)machtig?
Het feitenrelaas rondom ‘minderheden’ begint in 1911 met de komst van enkele honderden Chinese schepelingen. H. Wubben (1986) geeft zijn boek over de lotgevallen van Chinese immigranten in Nederland, in de periode 1911 tot 1940, de titel mee “Chineezen en ander Aziatisch ongedierte”. Hij is het meest uitgesproken in zijn mening dat pers, publiek en overheid deze groep als zeer problematisch ervoer.
Wat deze groep zelf vindt van Nederland, kijkend vanuit hun perspectief, is te vinden in Willems/Cottaar (1989) De huidige generaties Chinezen in Nederland ervaren bepaalde vormen van gedrag en uitingen als discriminerend: lacherig gedrag over Chinees personeel in een restaurant en scheldwoorden, zoals pinda-pinda. De Nederlandse overheid heeft betrekkelijk weinig last van deze groep die zich bijna altijd zelfstandig heeft gedragen in economisch en affectief opzicht.
De joodse Nederlanders en vluchtelingen zijn beschreven door dr. L. de Jong in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede-Wereldoorlog. Welk standpunt huldigde de Nederlandse overheid ten aanzien van die groep?
Omstreeks 1933 bevonden er zich in Nederland circa 6.000 vluchtelingen, meest joden. In mei dat jaar kwam de kentering. De nieuwe minister van Justitie, mr. J.R.H. van Schaik, vond al snel dat in Nederland geen vluchtelingen mochten worden toegelaten. Zijn collega van Buitenlandse Zaken, jhr. mr. A.C.D. de Graeff, oordeelde terzelfder tijd dat de positie van de joden in Duitsland weliswaar betreurenswaardig was, maar dat de opneming van deze vluchtelingen hier te lande de arbeidsmarkt te veel zou belasten. In het najaar van 1933 waarschuwde Van Schaik over de verwachte toeloop van joodse vluchtelingen uit Duitsland en Polen:
“De Nederlandse ingezetenen, speciaal de middenstanders en
arbeiders, gaan de vreemdelingen, en niet het minst de Joden, als bedreiging in
nijverheid, handel en arbeid voelen.”
Hoe het afliep is bekend. Het beeld dat burgers, media en overheid van de joodse slachtoffers van de holocaust hebben opgebouwd, is sterk bepaald door de Amerikaanse overheid. Zij maakten documentaires over de verschrikkingen, die behalve voor het Neurenberg -proces ook in bioscoopjournaals werden uitgezonden. Het grote publiek in het pre-televisietijdperk kon kennisnemen van de oorlogsmisdaden van de nazi’s.
Na de oorlog dienen de Molukkers zich aan en gerepatrieerde Indische Nederlanders. Hoe was de houding van Nederland en hoe ontwikkelde die zich in de loop van de jaren? In zijn proefschrift draagt J. Steijlen (1994:155) feiten aan waarom het in 1975 zo mis kon gaan met de Molukkers en de Nederlandse overheid. Met de treinkaping in Wijster en de bezetting van het Indonesiche consulaat in Amsterdam als dramatische reacties op een ontkennende en het RMS-ideaal negerende overheid:
“In
de loop van 1975, het jaar waarin het 25-jarig ‘jubileum’ van de RMS wordt
gevierd, lopen de spanningen verder op na uitspraken van vooraanstaande
Nederlanders in de media. Terug van een twaalfdaags bezoek aan Indonesië,
verklaart minister Harrie van Doorn (CRM) dat het niet langer reëel is met de
RMS te praten. Volgens de minister wordt het tijd dat de Molukse leiders in
Nederland zich gaan afvragen of het
nog wel zin heeft illusies te koesteren.”
Hoe zien de Molukkers zichzelf en de Nederlandse overheid? Volgens Willems/Cottaar (1989:282) houden Molukkers en hun kinderen (tweede en derde generatie) de overheid verantwoordelijk voor de gedwongen overtocht van de Molukken naar Nederland. Bovendien spelen het ontslag uit het KNIL - het waren immers militairen in Nederlandse dienst - het niet erkennen van de RMS, de Molukse regering in ballingschap en de integratiepolitiek, het min of meer onder druk verhuizen van de opvangkampen (bijvoorbeeld in Vught) naar een doorzonwoning, een cruciale rol.
Daarmee stelt Nederland de cultuur van het individu op de voorgrond, terwijl er in Molukse kring een groepscultuur heerst. Dat Nederland nationaal en internationaal weinig tot niets heeft gedaan om de belofte (een eigen staat onder RMS-vlag) in te lossen, maakt dat het beeld van de Nederlandse overheid als leugenachtige dominee en onfatsoenlijke koopman, in veel Molukse hoofden zit.
Toen het Marchall-plan ten uitvoer werd gebracht in het verwoeste West-Europa, begonnen het Duitse en in mindere mate het Nederlandse Wirtschafts Wunder. Vandaar dat sinds 1960 het fenomeen ‘gastarbeider’ zijn intree doet. Turkije is het eerste land waarmee de Nederlandse overheid een overeenkomst sluit . De naam ‘gastarbeider’ is officieel ‘buitenlandse werknemers’, de term van de overheid.
In 1970 worden de laatste twee wervingscontracten met Tunesië en Joegoslavië gesloten. Dat jaar publiceerde de Nederlandse regering het beleidsstuk Nota Buitenlandse Werknemers, waarin helder wordt verwoord:
‘Nederland
is geen immigratieland en mag dat ook niet worden’.
Bij de onafhankelijkheid van Suriname, op 25 oktober 1975, hadden rijksgenoten de keuze: of een Nederlands paspoort houden of een Surinaams document aanvragen. Velen verkozen Nederland boven Suriname. Zij worden daarna met vluchtelingen en asielzoekers die hier onderdak kregen, samen met andere etnisch andere Nederlanders gebombardeerd tot ‘allochtonen’.
In 1989 verscheen het WRR-rapport 36, met als titel Allochtonenbeleid. Ondanks een restrictief toelatingsbeleid is het aantal personen op wie het minderhedenbeleid zich richt in tien jaar gestegen van 473.000 tot 765.000 mensen, een toename van 60 procent. Bovendien is in één decennium de werkloosheid fors gestegen: bij sommige groepen tot 40 procent van de beroepsbevolking. Tel daarbij op de geringe mate van scholing. Daardoor ontstaat een perspectief van marginalisering van minderheidsgroepen, die zelfs tot in volgende generaties doorwerkt.
De opvattingen in Nederland over etnische minderheden, in het bijzonder ‘asielzoekers’ anno 1999. De belangrijkste bevindingen uit het CBS-onderzoeksrapport:
“Van de bevolking van 18 jaar en ouder is 76 procent van mening dat de toestroom van asielzoekers beperkt zou moeten worden en is 15 procent voorstander van een volledige stop. In vergelijking met 1997 is men in 1998 wel iets toleranter ten aanzien van de komst van asielzoekers en buitenlandse werknemers. Met het klimmen van de jaren neemt de scepsis ten aanzienvan de komst van de minderheden toe. Bij de opleiding geldt dat naarmate het opleidingsniveau hoger is, men een tolerantere positie inneemt.”
Hebben
‘minderheden’ in Nederland macht of zijn ze onmachtig? Van alle groepen zijn
de Molukkers degenen geweest die steeds hun tanden laten zien, met name 1975 is
het keerpunt. Een relatief kleine
groep als machtsfactor in de Nederlandse samenleving en in de politiek. De
Nederlandse overheid heeft altijd het
idee ontkend dat Nederland een immigratieland is. De meeste minderheidsgroepen,
behalve de Molukkers, passen in het poldermodel: veel praten en veel
compromissen.
3. Hebben media macht?
Hebben media macht? Bepalen zij het beeld dat wij als groep en als individu van ‘minderheden’ hebben?
Een terreinverkenning:
Onderzoek naar berichtgeving over minderheden is er in overvloed. Maar nauwelijks de vragen: hoe berichten over minderheden tot stand komen, en welke factoren daarop van invloed zijn?
Concreet wil dat zeggen dat nader onderzocht moet worden welke opvattingen en werkwijzen journalisten en programmamakers hanteren. Verder: ‘hoe’ laten redacteuren en programmamakers zich door codes, richtlijnen of aanbevelingen voor berichtgeving over etnische minderheden leiden? Er moet meer aandacht komen voor audiovisuele en nieuwe media en berichtgeving over minderheden. De studie van A. Leurdijk (1999) is een eerste aanzet.
Er is nauwelijks nog perceptieonderzoek gedaan naar berichtgeving over minderheden in kranten, op radio en televisie (en niet te vergeten op Internet). Toch duikt de vraag naar het effect steeds op. Hoe ervaren lezers en kijkers-luisteraars de berichtgeving over minderheden? Maar ook: welk beeld van berichten hebben journalisten zelf als het gaat over teksten over minderheidsgroepen? In de bijlage Profiel, een special van NRC Handelsblad over asielzoekers schrijft Yaël Vinckx: “ Behalve de politiek hebben ook de media een belangrijke rol in de beeldvorming. Bij het Centraal Opvang Asielzoekers (COA) verzucht men wel dat één bericht in de Telegraaf (‘Somalisch asielzoekersgezin weigert fiets’) meer kapot maakt dan tien voorlichtingscampagnes kunnen bewerkstelligen. Zelf lijkt de organisatie inmiddels meer op haar hoede. Zo wordt een lijst met ‘open dagen’ in de centra niet vrijgegeven. Anders zouden ‘verkeerde’ mensen (lees extreem-rechtsen) de open dagen wel eens kunnen verstoren.”
· Mediagebruik door minderheden
Onderzoek naar mediagebruik en informatiebehoeften van minderheidsgroepen is voornamelijk beperkt tot grootschalige enquêtes. De sociaal-wenselijkheid en positieve zelfinschatting zijn daarbij gevaren die op de loer liggen. Er is vrijwel niets bekend over de werkelijke perceptie van informatie en mediagebruik. Bovendien dient etnografisch onderzoek duidelijkheid te verschaffen over het mediagebruik van diverse minderheidsgroepen. Om een concreet voorbeeld te geven: Bij een verwoestende aardbeving augustus 1999 in Turkije kregen veel Turkse Nederlanders hun nieuws niet via Nederlandse kranten, radio en televisie, maar rechtstreeks uit hun moederland via de satellietontvanger. De schoteldichtheid van de groep Turkse Nederlanders is hoog. Daarom kon het gebeuren dat de televisieactie augustus 1999 op de gezamenlijke omroepen (Hilversum en de commerciëlen) voor een deel door de Turkse media werd overgenomen. Via de Turkse omroep vernamen Turkse Nederlanders dat er in Nederland een televieactie gaande was.
· Minderheden bij de media
Systematisch en jaarlijks herhaald onderzoek naar werkgelegenheid, plaats, aard van het journalistieke werk is dringend nodig. Nu bestaat er geen scherp beeld van de journalistieke werkzaamheden van deze groepen. Zitten deze journalisten bij migrantenmedia of ook bij andere? Berichten zij vooral over migrantenonderwerpen of zijn ze op andere issues gericht? Kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeken zijn wenselijk.
Zijn
media machtig? Onderzoek heeft nog nauwelijks
inzichten opgeleverd om die vraag te beantwoorden. De perceptie van
minderhedenberichtgeving in
de media is nog amper onderzocht. Wel
ziet het ernaar uit dat beeldvorming in de media van cruciale betekenis is.
4.
Drukt moedertaal macht uit?
De dichter Gerrit Achterberg schreef :
“Het woord heeft het eerste en het laatste woord,
daartussen valt een ideaal aan scherven,
planten zich miljoenen generaties voort
wier eigenschappen ik moet overerven. “
Taal is macht. Vergelijk de reclamespotjes van het cabaret-duo Frisse Jongens. En van de verpleegkundige annex bejaardenverzorgster die tekeer gaat tegen een oude dame. Wat is te zien? Een agent staat op een bruggetje. Een bromfietser, op Solex, komt aangereden, helm losjes op het hoofd. De agent: “Waar gaan WE naar toen?”…. De situatie is meteen duidelijk: dit ‘we’ is een machtsfactor: de agent als representant van het gezag versus een wetsovertreder, een individu. Of de verpleegkundige, schreeuwend tegen de bejaarde: “Moeten WE nog een nieuwe bril? Waarop de oudere vrouw terugschreeuwt dat ze bij Hans Anders nu ook hoorapparaten verkopen. Het pronomen ‘wij’ is een voorbeeld van ‘macht en solidariteit in taal’, zoals blijkt uit het artikel van Brown & Gilman (1960). Het gaat om de houding van het collectief ten opzichte van een vertegenwoordiger van een andere groep: wij (instituut politie, gezondheidszorg, Nederlanders) tegenover zij (wetsovertreders, bejaarden, niet-Nederlanders).
Behalve in de tegenstelling wij – zij, schuilt de macht van het individu over ‘minderheden’ in de oordelen over deze groepen. In Kaashoek (2001) wordt onder meer gerapporteerd over aan beweringen ten aanzien van etnische minderheden, vluchtelingen , asielzoekers etc. Aan 235 proefpersonen zijn 9 beweringen voorgelegd, zoals:
a. Etnische minderheden horen in Nederland thuis; ze maken de maatschappij veelkleurig.
b. Vluchtelingen kunnen niet langer in Nederland worden opgevangen: Nederland is vol.
Zij gaven hun mening (zeer mee oneens – zeer mee eens) per bewering en bovendien in te schatten wat de houding van de gemiddelde CDA-, PvdA-, D66-,VVD-, CD-kiezer (wij-groepen: de Nederlanders) zou zijn ten aanzien van deze negen beweringen (Per bewering werd een van de volgende begrippen opgenomen: etnische minderheden, asielzoekers, buitenlanders, nieuwkomers, vreemdelingen, vluchtelingen, migranten, illegalen en allochtonen), de zij-groep, de niet-Nederlanders. Wat bleek?
In de factoranalyse (zie tabel 1) wordt zichtbaar dat dat er acht factoren ‘laden: vijf partijen en daarna de begrippen illegalen, vluchtelingen en asielzoekers. Het totale percentage verklaarde variantie is 77,9 procent. Het gaat, let wel, om de onderlinge, statistische vergelijking van de mate van negativiteit: 235 beoordelaars x 9 statements x 5 politieke partijen.
In tabel 1 gaat het om de onderlinge vergelijkingen van houding en schattig van de proefpersonen. Samenvattend: Het betreft 235 personen x 5 partijen x 9 begrippen x (2) scoremogelijkheden, waarvan 1 = zeer negatief en 7 = zeer positief in onderlinge vergelijking.
Drukt taal macht uit?
Ja, waarbij, zoals uit tabel 1
blijkt, de VVD ten aanzien van de
statements en van de begrippen het meest negatief scoort en het CDA het minst.
Van de negen begrippen voor etnische minderheden, zijn de woorden
‘illegalen’, ‘vluchtelingen’ en ‘asielzoekers’ het meest negatief.
Het kan geen toeval zijn dat de rij begint met
een begrip dat onbekend is. En zoals het spreekwoord luidt: Onbekend
maakt onbemind. Beoordelaars-proefpersonen-taalgebruikers laten ondubbelzinning
weten dat iemand niet bij de groep behoort. Ongewenst? Dan ben je geen
machtsfactor van betekenis.
Brown,
R. & Gilman, A. (1960), ‘The pronouns of power and solidarity’. In:
Sebeok (1960: 253-276)(reprinted in Giglioli (1972: 252-282).
CBS (1999c). Allochtonen in Nederland 1999, Centraal Bureau voor de Statistiek: Voorburg/Heerlen.
Kaashoek, P. (2001). Van gastarbeider tot witte illegaal, Rotterdam: EUR.
Leurdijk, A. (1999), Televisiejournalistiek over de multiculturele samenleving, Amsterdam: het Spinhuis.
De Jong, L. (1969), Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, dl. 2 (neutraal), ‘s-Gravenhage: Staatsuitgeverij.
Steijlen, J. (1994), RMS: van ideaal tot symbool, Amsterdam: Het Spinhuis.
Willems, W. en A. Cottaar (1989), Het beeld van Nederland. Hoe zien Molukkers, Chinezen, Woonwagenbewoners en Turken de Nederlanders en zichzelf?, Baarn/ Den Haag: Ambo/Novib.
Wubben, H. (1986), “Chineezen en ander Aziatisch ongedierte”: lotgevallen van Chinese immigranten in Nederland, 1911-1940, Zutphen: Walburg Pers.
Piet Kaashoek
(1954) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde MO-A en –B aan de Katholieke
Leergangen (Tilburg). Daarna Algemene Taalwetenschap (hoofdvak)
en bijvakken (Filosofie; Geschiedenis van Pers, Propaganda en Openbare
Mening) aan de Universiteit van Amsterdam. Werkt sinds 1981 als docent,
vakgroepleider taalbeheersing en sedert 1998 als account manager nieuwe media
bij Fontys Hogeschool Journalistiek. Promoveert in 2001 op het proefschrift Van
gastarbeider tot witte illegaal, een historisch en taalkundig onderzoek naar
‘minderheden’ en minderheidswoorden in politieke en krantenteksten
(1994-1998). Kaashoek is publicist (Schrijven
voor (multi)media, Bussum: Coutinho (2000) en Multimedia:
taal, techniek & toepassing, ‘s-Gravenhage: SDU (1997) en columnist
van dagblad Metro.
Noot 1: Bij deze tekst hoort een PowerPoint-presentatie, eveneens te downlaoden op de site: www.pietkaashoek.com
Tabel 1
Oordeel
over de houding van de gemiddelde kiezer per partij ten aanzien van
'minderheidsbegrippen’
|
Houding |
factor |
|
|
|
|
|
|
|
|
kiezer |
1= VVD |
2= PvdA |
3=CD/CP'86 |
4=D66 |
5=CDA |
6=illegalen |
7=vluchtelingen |
8=asielzoekers |
|
CDA-MIN |
.41 |
|
|
|
.56 |
|
|
.31 |
|
CDA-AS |
|
|
|
|
.68 |
|
|
.48 |
|
CDA-BU |
|
|
|
|
.73 |
|
|
|
|
CDA-NI |
|
|
|
|
.72 |
|
|
|
|
CDA-VR |
|
|
|
|
.77 |
|
|
|
|
CDA-VL |
|
|
|
|
.62 |
|
.62 |
|
|
CDA-MIG |
|
.31 |
|
|
.71 |
|
|
|
|
CDA-IL |
|
|
|
|
.46 |
.73 |
|
|
|
CDA-AL |
|
.31 |
|
|
.65 |
|
|
|
|
PvdA-MIN |
|
.75 |
|
.30 |
|
|
|
|
|
PvdA-AS |
|
.69 |
|
|
|
|
|
.40 |
|
PvdA-BU |
|
.76 |
|
.31 |
|
|
|
|
|
PvdA-NI |
|
.73 |
|
.35 |
|
|
|
|
|
PvdA-VR |
|
.80 |
|
|
|
|
|
|
|
PvdA-VL |
|
.59 |
|
|
|
|
.67 |
|
|
PvdA-MIG |
|
.74 |
|
|
|
|
|
|
|
PvdA-IL |
|
.46 |
|
|
|
.80 |
|
|
|
PvdA-AL |
|
.77 |
|
.30 |
|
|
|
|
|
D66-MIN |
|
|
|
.73 |
|
|
|
|
|
D66-AS |
|
.32 |
|
.67 |
|
|
|
.41 |
|
D66-BU |
|
.36 |
|
.72 |
|
|
|
|
|
D66-NI |
|
.34 |
|
.73 |
|
|
|
|
|
D66-VR |
|
.33 |
|
.68 |
|
|
|
|
|
D66-VL |
|
|
|
.63 |
|
|
.63 |
|
|
D66-MIG |
|
.41 |
|
.63 |
|
|
|
|
|
D66-IL |
|
|
|
.43 |
|
.81 |
|
|
|
D66-AL |
|
.37 |
|
.73 |
|
|
|
|
|
VVD-MIN |
.80 |
|
|
|
|
|
|
|
|
VVD-AS |
.80 |
|
|
|
|
|
|
|
|
VVD-BU |
.79 |
|
|
|
|
|
|
|
|
VVD-NI |
.78 |
|
|
|
|
|
|
|
|
VVD-VR |
.83 |
|
|
|
|
|
|
|
|
VVD-VL |
.66 |
|
|
|
|
|
.57 |
|
|
VVD-MIG |
.78 |
|
|
|
|
|
|
|
|
VVD-IL |
.62 |
|
|
|
|
.65 |
|
|
|
VVD-AL |
.80 |
|
|
|
|
|
|
|
|
CD-MIN |
|
|
.73 |
|
|
|
|
|
|
CD-AS |
|
|
.80 |
|
|
|
|
|
|
CD-BU |
|
|
.72 |
|
|
|
|
|
|
CD-NI |
|
|
.80 |
|
|
|
|
|
|
CD-VR |
|
|
.83 |
|
|
|
|
|
|
CD-VL |
|
|
.86 |
|
|
|
|
|
|
CD-MIG |
|
|
.68 |
|
|
|
|
|
|
CD-IL |
|
|
.83 |
|
|
|
|
|
|
CD-AL |
|
|
.80 |
|
|
|
|
|
Legenda:
In de eerste kolom staat de houding van de gemiddelde kiezer per partij.
Daarnaar wordt verkort verwezen: CDA-MI = de gemiddelde houding van de
CDA-kiezer ten aanzien van etnische minderheden.
CDA-AS = …van asielzoekers, CDA-BU = …van buitenlanders, CDA-NI =
…. van nieuwkomers,
CDA-VR = …van vreemdelingen, CDA-VL= … van vluchtelingen, CDA-MIG=
…. van migranten, CDA-IL= ….van illegalen, CDA-AL=….van allochtonen.
Vijf partijen, gekoppeld aan deze woorden komen aan bod: CDA, PvdA, D66,
VVD, CD/CP’86. Alle waarden hoger dan .30 zijn opgenomen in het overzicht.