Ghostwriting: booming business voor journalisten zonder ego

  Theo Dersjant en Piet Kaashoek

  Ze zijn de ‘stillen’ van de journalistiek. Gedienstig en onzichtbaar doen ze hun werk, terwijl anderen met hun veren pronken. Het zijn mannen en vrouwen zonder groot ego. Ghostwriting zou ‘booming business’ zijn. Maar sssssst, vinger op de lippen, niet verder vertellen, want de anonimiteit van de klant is heilig. Drie spookschrijvers over de essentie van hun vak. ‘Als er een vereniging voor ghostwriters zou bestaan, zouden de leden met een zak over hun hoofd naar de jaarvergadering komen.’
‘Malik de Kok, Ghostwriter’, staat er parmantig op het visitekaartje van de freelance-journalist uit Driebergen. Hij schat dat ruwweg de helft van z’n praktijk uit ghostwriting bestaat. Zijn definitie: ‘Alles wat ik schrijf waar een ander z’n naam onder zet’.
De Kok heeft een wetenschappelijke achtergrond. Studeerde scheikunde, werkte in de informatica en belandde een jaar of twintig geleden op de eindredactie van tijdschrift Natuur & Techniek. Nogal wat wetenschappers schreven voor dat blad. Inhoudelijk boeiende stukken, maar stilistisch soms bedroevend. De Kok mocht de teksten redactioneel ‘over de kop halen’. Daar ontdekte hij wat een tekstschrijver kan betekenen voor iemand die wel kennis maar geen schrijftalent bezit. ‘In die zin leunt ghostwriting dicht aan tegen eindredactie. Zeker wanneer je forse eindredactie pleegt. Dan staat een artikel in het blad met de naam van een auteur eronder, terwijl jij weet dat je het helemaal herschreef.’
Als zelfstandige deed hij z’n voordeel met die ervaring. Hij afficheert zich nadrukkelijk als ghostwriter, begeleidt bedrijven die bijvoorbeeld aan een grote offerte schrijven. ‘Aan dat proces kun je als tekstschrijver een bijdrage leveren, mits je er in een vroeg stadium bij betrokken wordt.’ Of hij helpt een divisiedirecteur een goede tekstuele en visuele presentatie te verzorgen voor de Raad van Bestuur van het eigen bedrijf. ‘Daarbij gaat het soms om veel geld.’
Een goede ghostwriter, betoogt De Kok, is een goede tekstschrijver met sociale vaardigheden en een flink aantal jaren ervaring. ‘Consultants, accountants, fiscalisten, moeten publiceren om hun ideeën de wereld in te krijgen om op die manier weer meer business te genereren. Die mensen moeten dan voor tweehonderd euro per uur op een tekst gaan zitten worstelen, terwijl het hun vak niet is. Vaak komen ze er niet eens aan toe. Als je zo iemand aanbiedt: we praten anderhalf uur en vijf dagen later is je artikel er, is dat heel aantrekkelijk voor zo iemand.‘
Het valt dat op dat De Kok in nogal algemene termen spreekt. Maar we willen namen! Aan wie heeft hij de laatste jaren zoal z’n naam geleend? Hij is niet te vermurwen. ‘Eigenlijk is er een onuitgesproken afspraak met opdrachtgevers dat je niet te koop loopt met hun naam. Alhoewel de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik nog nooit iemand ben tegengekomen die zei: je mag m’n naam niet noemen. Ik ga er steeds vanuit dat ze het niet willen.’
De Kok schrijft ook vakbladartikelen voor opdrachtgevers. Redacties krijgen een stuk met de naam van bijvoorbeeld een consultant eronder, terwijl in werkelijkheid De Kok de auteur is. Vindt hij dat redacties dat behoren te weten? ‘Voor zo’n redactie geldt alleen: hoe mooier een stuk, hoe beter het is! De redactie weet het doorgaans ook wel, want ik bel ze bijvoorbeeld op voor de deadline.’
En de lezer, heeft die geen recht te weten hoe de vork aan de steel zit? ‘Ach, als de ondertekenaar het in de enveloppe stopte en het opstuurde, dan kun je er toch vanuit gaan dat de ondertekenaar er achter staat? Iedereen weet natuurlijk dat veel artikelen, ook in dagbladen, door ghostwriters worden geschreven.’
Een professioneel ghostwriter moet volgens De Kok wel in staat zijn z’n ego opzij te zetten. ‘En dat is misschien voor journalisten moeilijker dan voor tekstschrijvers. De laatste keer dat ik een stuk met m’n eigen naam ondertekende is misschien wel vijftien jaar geleden. Er zijn wel eens momenten geweest dat ik dacht: het grenst aan prostitutie. Je moet erg oppassen dat je niet te veel meegaat in het denken van je opdrachtgever.’
‘Ik denk dat het om een grote maar moeilijke markt gaat. Je kunt wel als ghostwriter in de Gouden Gids gaan staan, maar daarmee word je nog niet ingehuurd. Het gaat om relaties. Dan heb je het over een zaak van vertrouwen.’
Rijk zegt De Kok er niet van te worden. Maar slecht verdienen doet het ook niet. ‘Twee keer modaal? Dat haal ik denk ik net niet.’

Veelvraat
In een totaal ander segment van de spookschrijversmarkt opereert de Utrechtse ‘veelvraat’ Ed van Eeden. Voor de Utrechter maakt ghostwriting een klein deel uit van zijn bezigheden: het schrijven van boeken, van boekrecensies (Het Parool), het vertalen van boeken (John Updike), tekstbijdragen leveren aan tv-programma’s en zo gaat zijn c.v. nog vier bladzijden door. ‘Journalist, publicist, vertaler’, vermeldt zijn visitekaartje. Tegen de zeventig boeken schreef hij sinds 1987. Op slechts een klein deel prijkt ook zijn eigen naam. Zo verschijnen zijn griezelboeken voor kinderen onder de naam ‘Steven Klamm’ ‘Klinkt Amerikaans, dat verkoopt beter bij griezelboeken’. De ponyboeken voor meisjes hebben de naam ‘Debbie Hogewind’ op de cover (‘want welk meisje koopt nou een ponyboek met een mannennaam op de voorkant!’). In 1999 verscheen de eerste roman van zijn hand (nu wel onder eigen naam): De vogelspin. Als ghostwriter staan in zijn cv: ‘Balanceren met bagage, het leven van Sylvia de Leur’, ‘Tranen over Tian-An-Men ‘van’ Zhimin Tang, ‘De 9 deugden voor je werk’ waarbij hij Marjan van Lier bijstond, de biografie ‘Hard tegen Hard’ van voetballer Jaap Stam en ‘Ik laat me niet gek maken’ van Ruud ‘Big Brother’ Bénard.
Voor dat laatste boek ging hij gedurende drie maanden twee keer in de week bij de Big Brother-deelnemer langs. Per sessie sprak hij twee uur met Bénard. Van tevoren kondigde hij aan over welk thema hij wilde spreken, zodat het lijdend voorwerp dat kon voorbereiden. Op het boek stond, eerlijkheidshalve ‘zoals verteld door Ruud Bénard’, hetgeen overeenkwam met de werkelijke gang van zaken. En in de publiciteit werd ook niet verhuld dat Ed van Eeden de echte schrijver was.
Van Eeden vindt dat voor dergelijk werk journalistiek inzicht van belang is. ‘Anders stel je de goede vragen niet.’ Bij alle boeken die bij als ghostwriter voor z’n rekening nam, ging hij eerst kennismaken met de te beschrijven persoon. ‘Om te kijken of ik er wel mee kon opschieten.’ Voor Van Eeden zit de lol van z’n vak in de afwisseling. Dan weer doet-ie ‘puur’ journalistiek werk, het volgende moment staat de fictie centraal. ‘Het gaan mij om de variatie. En ik doe nooit geheimzinnig over het ghostwriten.’Ook hij ziet in potentie een grote markt voor zich opdoemen. Er zijn immers nog zoveel boeiende mensen die nog geen autobiografie hebben. En die dat – met hulp van een journalist – zouden kunnen maken. ‘Iemand als Joop van den Ende moet eens iemand inhuren.’
Er is wel een belangrijk verschil bij het schrijven als ghostwriter en het maken van een biografie over een persoon. Wat te doen immers als Van Eeden vermoedt dat zijn hoofdpersoon zich mooier voorstelt dan hij of zij in werkelijkheid is. Of nog sterker: liegt? ‘Als ghostwriter vraag je in zo’n geval natuurlijk door. Maar ik zal het niet checken. Het is mijn boek niet. Bij een biografie ga je weer wel checken.’
Van Eeden doet ook niet geheimzinnig over geld. ‘Voor het boek met Ruud kreeg ik 8000 gulden. In dit geval had ik een deal dat ik een deel van de royalty’s kreeg, vaak spreek je een vast bedrag af. Wel is het in dit geval zo dat Ruud meer kreeg dan ik. Tien procent van de verkoopprijs was voor hem, twee procent voor mij.’

Captains of industry
Sander Wieringa opereert – als voormalig hoofdredacteur van de tijdschriften FEM en NEXT - vooral in de financieel-economische hoek. Nu hij zo’n twee jaar freelancer is, schrijft hij regelmatig als ghostwriter. De relatie met de journalistiek is daarbij volgens hem overduidelijk aanwezig. Je moet immers kunnen schrijven, luisteren, interviewen, je moet soms uit een brij van informatie een coherent verhaal kunnen maken. ‘Het gebeurt mij wel dat ik iemand interview, waarna de betrokkene na afloop zegt: ‘Ik had niet gedacht dat je er zo’n samenhangend geheel van kon maken’. Maar dat is natuurlijk je vak. In beginsel zou iedere journalist dit moeten kunnen, al moet je je wel kunnen verplaatsen in de persoon waar je voor schrijft. Ik heb twintig jaar ervaring met ondernemers.’
Wieringa schrijft bijvoorbeeld voor captains of industry de columns in hun eigen personeelsbladen. Maar hij verzorgde ook de tekst van een kok die een kookboek wilde maken. ‘Ik schat dat ik voor een vijfde bezig ben met dit soort opdrachten. Ik reken daarbij alles wat ik doe onder andermans naam. Artikelen, speeches, columns, af en toe zelfs de tekst van een onderzoeksrapport.’
‘Er is natuurlijk wel een groot verschil met de journalistiek. Als journalist dien je het publiek. Als ghostwriter dien je de opdrachtgever, die is de baas. Da’s principieel anders. De opdrachtgever bepaalt wat er uitgesproken wordt. Al is het mijn ervaring dat je als ghostwriter best wat verder mag gaan dan een opdrachtgever soms wil. Een column moet immers wel prikkelend, soms provocerend zijn. Achteraf vindt de opdrachtgever het dan eigenlijk wel leuk.’
En nog een verschil: ghostwriten betaalt beter dan de ‘traditionele’ journalistiek. Honoraria beginnen bij Wieringa rond de honderd euro per uur. Daarbij gaat ook hij eerst een gesprek aan met degene wiens naam uiteindelijk onder het stuk moet komen. Hij trekt er een uur, anderhalf uur voor uit. ‘Het is in feite een gewoon interview. Het verschil is wel dat iemand in beginsel alles wat gezegd is weer in kan trekken.’
Wordt het hebben van een ghostwriter ook als statusverhogend gezien in het bedrijfsleven? Wieringa: ‘Nee, dat geloof ik niet. Ik heb zelfs een klant, daarvan weet helemaal niemand, zelfs z’n eigen afdeling voorlichting niet, dat een ander z’n teksten schrijft!’
Bij het schrijven van een speech of column heeft Wieringa drie criteria ontwikkeld waar z’n werk aan moet voldoen: ‘Het moet niet uitmonden in reclame, het stuk moet relevant zijn voor de doelgroep en het stuk moet ‘deviant’, afwijkend, zijn. Er moet een standpunt in zitten dat afwijkt van wat je zou verwachten. Op die criteria check ik m’n teksten. Het zijn overigens ook de criteria waar een redactie de ingezonden brieven op kan selecteren.’
‘Ik vind ghostwriting geen vorm van tekstprostitutie. Je beoefent je ambacht. Dat doe je goed en professioneel, je bewijst daarmee het publiek een dienst. Als je als journalist iemand interviewt hoef je het toch ook niet eens te zijn met die persoon om zijn uitspraken af te drukken. De lezer wordt bediend door een helder stuk te lezen. Het belang van een redactie moet zijn: is dit een goed verhaal!’

‘Bij Cruijff schreven we met opzet een beetje krom Nederlands’

  De columnistiek leent zich bij uitstek voor ghostwriting. Zo schreven redacteuren van Voetbal International zelf de columns van voetbalsterren als Johan Cruijff, Willem van Hanegem en Wim Kieft. Het blad is er inmiddels mee gestopt, vooral omdat dergelijke columns duur zijn door de torenhoge honoraria. En ze waren, volgens eindredacteur Bert Nederlof, meestal zeer oppervlakkig. ‘Alleen die van Cruijff en Van Hanegem waren wel aardig.’
Op de redactie van Voetbal International waren een paar, vooral oudere, redacteuren belast met de ghostcolumns. Een columnist werd ‘begeleid’ door een vaste redacteur, zodat ze aan elkaar konden wennen. Nederlof schreef zelf de Van Hanegem-columns. ‘Dan belde je een tijdje met Van Hanegem en nam je de afgelopen week door. Daaruit schreef ik dan de column. Bij de ene voetballer legden we de tekst wel eerst voor, bij de andere niet, maar ik kan me niet herinneren dat er ooit gedoe rond een column is ontstaan. Doorgaans hoorde je niks als je gefaxt had. De redacteuren hier vonden het wel leuk om te doen. Je probeerde het dan zo op te schrijven dat de taal van zo’n voetballer herkenbaar werd. Van Hanegem had van die typische woordjes: ‘die gasten’ en ‘kwibus’. Bij Cruijff schreven we met opzet zoveel mogelijk als hij sprak: een beetje krom Nederlands. Dan krijgt iemand in z’n column een eigen gezicht.’
‘Ik mis het echt’, zegt Hans Klippus, plaatsvervangend chef van de sportredactie van het Algemeen Dagblad. Hij kroop anderhalf jaar iedere maandag in de huid van zijn eigen jeugdidool: Willem van Hanegem. Een paar maanden geleden kwam er een einde aan, omdat de KNVB het niet zag zitten dat de assistent-bondscoach een column had.
Iedere maandag, de slaap nog in de ogen vanwege een late sportzondag (‘Ik lag doorgaans om half drie ’s nachts op bed’), reed Klippus met de auto naar Overveen, een vlaai op de achterbank. Bij Van Hanegem thuis werd teruggekeken op de afgelopen voetbalweek. ‘Ik ben er steeds heengegaan omdat dat volgens mij de enige manier was waarop het werkte. Soms moest het wel eens telefonisch, maar dan kreeg je toch een mindere column. Bovendien krijg je op zo’n manier vertrouwen. En dat heb je echt nodig.’ Klippus trof die maandagen een openhartige gesprekspartner, die in die zittingen het doorgaans had over ‘onze column’. ‘Dat vond ik wel leuk. Willem beschouwde het echt als ons stuk.’
Als de tekst klaar was, ging het per fax naar de Van Hanegems. Klippus schat dat een op de zes keer er een reactie kwam. Meestal omdat de vrouw van Van Hanegem, die de column ook las, geen voorstander was van woorden als ‘klotezooi’. ‘Van Hanegem was er tegenover derden altijd heel open over dat-ie de column niet zelf schreef. Ik schat dat 99 van de honderd lezers ook wel vermoedden dat-ie niet zelf de auteur was. En wij deden er ook niet echt geheimzinnig over. Ik heb nooit gedacht: wisten de mensen maar dat ik het schrijf! Ik ben 46, zit inmiddels al een flink aantal jaren in de journalistiek. Dan hoeft dat niet meer zo nodig. Ik kan me voorstellen dat jonge journalisten dat wat meer hebben.’
Klippus benadrukt dat-ie steeds uitkeek naar de ontmoetingen met zijn idool. Hij nam zelfs de plakboeken die hij in z’n jeugd aanlegde over zijn held, mee naar een van de gesprekken. Toen Van Hanegem een tijdje trainer bij Sparta was, vonden de wekelijkse ontmoetingen plaats in een ongezellige kantine, na een training. ‘Ik weet zeker dat de columns in die periode minder waren. Dat heeft te maken met de sfeer.’
Toen Van Hanegem noodgedwongen met de column stopte, kreeg Klippus het signaal dat ook de Kromme de wekelijkse bijeenkomsten miste. ‘Hij zag die maandagochtenden blijkbaar als een uitlaatklep. Ik heb hem voorgesteld een dagboekje bij te houden van wat hij als assistent meemaakt. Om er later een boek van te maken. Ik zou dan bijvoorbeeld wekelijks de fragmenten bij hem ophalen om ze te bewerken. Het is er nooit van gekomen.’
Bij het schrijven probeerde Klippus zoveel mogelijk de toon van Van Hanegem te treffen. Directe zinnen, openhartig, simpel taalgebruik, met die typische Van Hanegemwoordjes. ‘Anders is het zijn column niet.’
Volgens de AD-journalist is een goede vertrouwensband een absolute voorwaarde voor het succesvol schrijven van een spookcolumn. ‘Willem is puur. Hij nam in die sessies geen blad voor de mond. En krabbelde ook nooit terug. Een enkele keer wierp ik wel eens tegen: maar Willem, zou je dat nou wel zeggen... Maar dan zei-ie steeds: ’Maar dat vind ik gewoon!’.

  Wie bezit nou het auteursrecht?

Bij wie berust het auteursrecht wanneer een ghostwriter de biografie van iemand schrijft die als autobiografie wordt gepubliceerd? Volgens oud-journalist Wim Teeuwen (Eindhovens Dagblad) en gepromoveerd op auteursrecht is daarop geen eenduidig antwoord te geven. Teeuwen: “Een typisch juridisch antwoord is: dat ligt eraan. Dat lijkt een dooddoener, maar is het niet. Tussen de ghostwriter en de persoon over wie de  autobiografie geschreven wordt,  kunnen verschillende verhoudingen bestaan. Die kunnen weer relevant zijn voor de toewijzing en verdeling van het auteursrecht."
De mening van Gerard Schuijt, oud-secretaris van de NVJ en hoogleraar aan de juridische faculteit van de Universiteit van Amsterdam,  is ondubbelzinnig: ”De Auteurswet houdt voor de maker (auteursrechthebbende) degene die op 'het werk' staat aangeduid als de maker, behoudens bewijs van het tegendeel. Als dat de feitelijke schrijver is, dan wordt die dus geacht de maker te zijn. Als de opdrachtgever wil dat zijn naam vermeld wordt en die van de feitelijke schrijver niet, dan wordt de opdrachtgever voor de maker aangezien behoudens bewijs van het tegendeel.”
Het bewijs van het tegendeel kan bijvoorbeeld inhouden, dat de kandidaat-opdrachtgever zegt: ‘Ik heb gesproken, en jij hebt het (passief)opgeschreven, dus ik ben de maker’. Gerard Schuijt: “Auteursrechtelijk kan dat. Ook het omgekeerde is denkbaar: de feitelijke schrijver zegt: ‘Ja, jij hebt wel gesproken, maar ik heb er iets moois van gemaakt en dat vond jij bij nalezing goed.’ Als de opdrachtgever het al na las. Dit schijnt nogal eens met columns van sportmensen het geval te zijn.”
De ‘ghost’ leent dan meer zijn naam, dan dat hij echt opdrachtgever is. Het auteursrecht hangt van de verhouding tussen ghost en feitelijke schrijver af.  Het beste is de twee die aan zoiets beginnen te laten afspreken wie het auteursrecht toekomt. Kan overigens ook aan allebei toekomen, want een gezamenlijk auteursrecht is ook mogelijk (in de literatuur zijn de voorbeelden voorhanden: Betje Wolf en Aagje Deken; bij Joyce & Co is er zelfs een heel collectief van samenstellers, dat de lezer niet met naam en toenaam kent). 
De meest voorkomende situatie is dat de hoofdpersoon van de autobiografie een ghostwriter opdracht geeft om te schrijven. De spookschrijver ontvangt daarvoor een vooraf afgesproken honorarium en de naam van de ghostwriter blijft onbekend. In dit geval is het simpel: de ghostwriter is een tekstschrijver die bij levering het auteursrecht overdraagt voor eenmalige publicatie i.c. een autobiografie. Voor inhoudelijke wijzigingen van het manuscript of voor ander gebruik dan een autobiografie is echter altijd toestemming van de oorspronkelijke auteur nodig. Deze hoofdregel is onder meer te vinden in de leveringsvoorwaarden van Tekstnet, een beroepsvereniging van tekstschrijvers (www.tekstnet.nl). (Art. 13 e.v.).
Het is ook mogelijk dat de geniepschrijver het initiatief heeft genomen en zelf de hoofdpersoon heeft benaderd. Partijen worden het eens over de honorering. Afgesproken is dat de naam van de ghostwriter (of een pseudoniem) in de publicatie genoemd wordt, maar over het auteursrecht worden geen afspraken gemaakt. 
Teeuwen: “Ook in dit geval is naar mijn mening de hoofdregel van Tekstnet van toepassing, in elk geval wanneer de ghostwriter bij pseudoniem wordt genoemd. Er kunnen echter omstandigheden zijn die afwijking van deze hoofdregel rechtvaardigen. Belangrijk is bijvoorbeeld de mate van creativiteit en vakmanschap die de ghostwriter in het eindproduct heeft gestoken. Heeft hij alleen een ingesproken tekst uitgetikt of heeft hij de autobiografie feitelijk zelf geschreven met hulp van de hoofdpersoon? In dit laatste geval is de ghostwriter als mede-auteur te beschouwen, zelfs als er niets over het auteursrecht geregeld is.”
Over de inbreng van de ghostwriter kunnen echter wel bewijsproblemen rijzen. Wim Teeuwen: “Om moeilijkheden te voorkomen doen opdrachtgever en ghostwriter er verstandig aan hun zaakjes te regelen. Dat scheelt juridisch gedonder en een regeling kan bovendien financiële voordelen voor de schrijver- in- de- schaduw  opleveren. Volledige overdracht van auteursrecht kan bijvoorbeeld in de honorering worden verdisconteerd. Ook in dit geval behoudt de ghostwriter het recht om wijziging of verminking van zijn product of gebruik in een andere vorm te verbieden” (art. 25 Auteurswet.)
Verder speelt nog de vraag wie is aansprakelijk voor de eventuele onrechtmatige inhoud van de autobiografie? Teeuwen: “Dat zijn altijd de hoofdpersonen . Tenzij zij kunnen bewijzen dat niet zij, maar de ghostwriters de (auto)biografie hebben geschreven. Voor alle veiligheid doen partijen er goed aan ook dat vooraf te regelen.

Spookschrijvers in de Nederlandse literatuur

Wie een klein onderzoek uitvoert naar ghostwriters in de Nederlandse literatuur komt bedrogen uit. In het Kritisch Literatuur Lexicon, een naslagwerk waarin de meeste Vlaamse en Nederlandse literaire schrijvers zijn opgenomen, is te vinden dat Joyce & Co een samenwerkingsverband is van een schrijversbende (Mick Broekhoff, J. Fonville, Erwin Charles David Garden [pseud. v. Geerten Jan Maria Meijsing], Keith Kanger Snell [pseud. v. Kees Snell], Frans H.B. Verpoorten jr. (filmer/fotograaf), en Henk Willem Zeevat.
Er gaan geruchten dat menig literair debutant op het schild is gehesen door literator Jeroen Brouwers, toen-ie nog eindredacteur was bij literaire uitgeverij Manteau in Brussel. Evenals de verwijten dat sommige boeken van hem berusten op afgekeurde manuscripten van toen. Hard bewijs is nooit geleverd.
Zo hebben Bezige Bij, Prometheus en andere literatire uitgevers eindredacteuren in dienst die soms min of meer als spookschrijvers in de weer zijn. Ze herschrijven, polijsten, veranderen, stileren, zonder dat de lezer er weet van heeft.  Er rust kennelijk een taboe op. Bij navraag weten hoofdredacteuren van niets of zeggen van niets te weten.
Een van de weinige bronnen is het programma Knetterende Letteren dat in april 1999 een uitzending wijdde aan het thema ghostwriters in Nederland. Te gast waren Karima Ouchen, een Marokkaanse, die het boek Nooit geschreven brief aan mijn vader, door de antropologe Fenneke Rijso  heeft laten schrijven. En Yvonne de Vries, de ex van voetballer Ruud Gullit. Zij liet biograaf Bert Hiddema Een voetbalsprookje. Mijn leven met een sportheld optekenen. Hiddema maakte eerder biografieën over Johan Cruijff en over Johnny Jordaan.
Hiddema noemt terloops de namen van Martin van Amerongen en van Martin Ros. Twee ghostwriters die kennelijk heel wat op hun naam hebben staan zonder dat het grote publiek daarvan kennis heeft.

Bronnen:

 
Knetterende Letteren, uitzending  over ‘Ghostwriting in Nederland’,  8 april 1999, Radio 5, NPS

Met dank aan:

Ed van Eeden, Hans Klippus, Malik de Kok, Bert Nederlof, Juliette van Wersch (NPS), Gerard Schuijt (UvA) en W. Teeuwen

© Theo Dersjant - Piet Kaashoek 2003