Ghostwriting: booming business voor journalisten zonder ego
‘Malik de Kok, Ghostwriter’, staat er parmantig op het visitekaartje van de
freelance-journalist uit Driebergen. Hij schat dat ruwweg de helft van z’n
praktijk uit ghostwriting bestaat. Zijn definitie: ‘Alles wat ik schrijf waar
een ander z’n naam onder zet’.
De Kok heeft een wetenschappelijke achtergrond. Studeerde scheikunde, werkte in
de informatica en belandde een jaar of twintig geleden op de eindredactie van
tijdschrift Natuur & Techniek. Nogal wat wetenschappers schreven voor dat
blad. Inhoudelijk boeiende stukken, maar stilistisch soms bedroevend. De Kok
mocht de teksten redactioneel ‘over de kop halen’. Daar ontdekte hij wat een
tekstschrijver kan betekenen voor iemand die wel kennis maar geen schrijftalent
bezit. ‘In die zin leunt ghostwriting dicht aan tegen eindredactie. Zeker
wanneer je forse eindredactie pleegt. Dan staat een artikel in het blad met de
naam van een auteur eronder, terwijl jij weet dat je het helemaal herschreef.’
Als zelfstandige deed hij z’n voordeel met die ervaring. Hij afficheert zich
nadrukkelijk als ghostwriter, begeleidt bedrijven die bijvoorbeeld aan een grote
offerte schrijven. ‘Aan dat proces kun je als tekstschrijver een bijdrage
leveren, mits je er in een vroeg stadium bij betrokken wordt.’ Of hij helpt
een divisiedirecteur een goede tekstuele en visuele presentatie te verzorgen
voor de Raad van Bestuur van het eigen bedrijf. ‘Daarbij gaat het soms om veel
geld.’
Een goede ghostwriter, betoogt De Kok, is een goede tekstschrijver met sociale
vaardigheden en een flink aantal jaren ervaring. ‘Consultants, accountants,
fiscalisten, moeten publiceren om hun ideeën de wereld in te krijgen om op die
manier weer meer business te genereren. Die mensen moeten dan voor tweehonderd
euro per uur op een tekst gaan zitten worstelen, terwijl het hun vak niet is.
Vaak komen ze er niet eens aan toe. Als je zo iemand aanbiedt: we praten
anderhalf uur en vijf dagen later is je artikel er, is dat heel aantrekkelijk
voor zo iemand.‘
Het valt dat op dat De Kok in nogal algemene termen spreekt. Maar we willen
namen! Aan wie heeft hij de laatste jaren zoal z’n naam geleend? Hij is niet
te vermurwen. ‘Eigenlijk is er een onuitgesproken afspraak met opdrachtgevers
dat je niet te koop loopt met hun naam. Alhoewel de eerlijkheid gebiedt te
zeggen dat ik nog nooit iemand ben tegengekomen die zei: je mag m’n naam niet
noemen. Ik ga er steeds vanuit dat ze het niet willen.’
De Kok schrijft ook vakbladartikelen voor opdrachtgevers. Redacties krijgen een
stuk met de naam van bijvoorbeeld een consultant eronder, terwijl in
werkelijkheid De Kok de auteur is. Vindt hij dat redacties dat behoren te weten?
‘Voor zo’n redactie geldt alleen: hoe mooier een stuk, hoe beter het is! De
redactie weet het doorgaans ook wel, want ik bel ze bijvoorbeeld op voor de
deadline.’
En de lezer, heeft die geen recht te weten hoe de vork aan de steel zit? ‘Ach,
als de ondertekenaar het in de enveloppe stopte en het opstuurde, dan kun je er
toch vanuit gaan dat de ondertekenaar er achter staat? Iedereen weet natuurlijk
dat veel artikelen, ook in dagbladen, door ghostwriters worden geschreven.’
Een professioneel ghostwriter moet volgens De Kok wel in staat zijn z’n ego
opzij te zetten. ‘En dat is misschien voor journalisten moeilijker dan voor
tekstschrijvers. De laatste keer dat ik een stuk met m’n eigen naam
ondertekende is misschien wel vijftien jaar geleden. Er zijn wel eens momenten
geweest dat ik dacht: het grenst aan prostitutie. Je moet erg oppassen dat je
niet te veel meegaat in het denken van je opdrachtgever.’
‘Ik denk dat het om een grote maar moeilijke markt gaat. Je kunt wel als
ghostwriter in de Gouden Gids gaan staan, maar daarmee word je nog niet
ingehuurd. Het gaat om relaties. Dan heb je het over een zaak van vertrouwen.’
Rijk zegt De Kok er niet van te worden. Maar slecht verdienen doet het ook niet.
‘Twee keer modaal? Dat haal ik denk ik net niet.’
Veelvraat
In een totaal ander segment van de spookschrijversmarkt opereert de Utrechtse
‘veelvraat’ Ed van Eeden. Voor de Utrechter maakt ghostwriting een klein
deel uit van zijn bezigheden: het schrijven van boeken, van boekrecensies (Het
Parool), het vertalen van boeken (John Updike), tekstbijdragen leveren aan
tv-programma’s en zo gaat zijn c.v. nog vier bladzijden door. ‘Journalist,
publicist, vertaler’, vermeldt zijn visitekaartje. Tegen de zeventig boeken
schreef hij sinds 1987. Op slechts een klein deel prijkt ook zijn eigen naam. Zo
verschijnen zijn griezelboeken voor kinderen onder de naam ‘Steven Klamm’
‘Klinkt Amerikaans, dat verkoopt beter bij griezelboeken’. De ponyboeken
voor meisjes hebben de naam ‘Debbie Hogewind’ op de cover (‘want welk
meisje koopt nou een ponyboek met een mannennaam op de voorkant!’). In 1999
verscheen de eerste roman van zijn hand (nu wel onder eigen naam): De vogelspin.
Als ghostwriter staan in zijn cv: ‘Balanceren met bagage, het leven van Sylvia
de Leur’, ‘Tranen over Tian-An-Men ‘van’ Zhimin Tang, ‘De 9 deugden
voor je werk’ waarbij hij Marjan van Lier bijstond, de biografie ‘Hard tegen
Hard’ van voetballer Jaap Stam en ‘Ik laat me niet gek maken’ van Ruud
‘Big Brother’ Bénard.
Voor dat laatste boek ging hij gedurende drie maanden twee keer in de week bij
de Big Brother-deelnemer langs. Per sessie sprak hij twee uur met Bénard. Van
tevoren kondigde hij aan over welk thema hij wilde spreken, zodat het lijdend
voorwerp dat kon voorbereiden. Op het boek stond, eerlijkheidshalve ‘zoals
verteld door Ruud Bénard’, hetgeen overeenkwam met de werkelijke gang van
zaken. En in de publiciteit werd ook niet verhuld dat Ed van Eeden de echte
schrijver was.
Van Eeden vindt dat voor dergelijk werk journalistiek inzicht van belang is.
‘Anders stel je de goede vragen niet.’ Bij alle boeken die bij als
ghostwriter voor z’n rekening nam, ging hij eerst kennismaken met de te
beschrijven persoon. ‘Om te kijken of ik er wel mee kon opschieten.’ Voor
Van Eeden zit de lol van z’n vak in de afwisseling. Dan weer doet-ie
‘puur’ journalistiek werk, het volgende moment staat de fictie centraal.
‘Het gaan mij om de variatie. En ik doe nooit geheimzinnig over het
ghostwriten.’Ook hij ziet in potentie een grote markt voor zich opdoemen. Er
zijn immers nog zoveel boeiende mensen die nog geen autobiografie hebben. En die
dat – met hulp van een journalist – zouden kunnen maken. ‘Iemand als Joop
van den Ende moet eens iemand inhuren.’
Er is wel een belangrijk verschil bij het schrijven als ghostwriter en het maken
van een biografie over een persoon. Wat te doen immers als Van Eeden vermoedt
dat zijn hoofdpersoon zich mooier voorstelt dan hij of zij in werkelijkheid is.
Of nog sterker: liegt? ‘Als ghostwriter vraag je in zo’n geval natuurlijk
door. Maar ik zal het niet checken. Het is mijn boek niet. Bij een biografie ga
je weer wel checken.’
Van Eeden doet ook niet geheimzinnig over geld. ‘Voor het boek met Ruud kreeg
ik 8000 gulden. In dit geval had ik een deal dat ik een deel van de royalty’s
kreeg, vaak spreek je een vast bedrag af. Wel is het in dit geval zo dat Ruud
meer kreeg dan ik. Tien procent van de verkoopprijs was voor hem, twee procent
voor mij.’
Captains of
industry
Sander Wieringa opereert – als voormalig hoofdredacteur van de tijdschriften
FEM en NEXT - vooral in de financieel-economische hoek. Nu hij zo’n twee jaar
freelancer is, schrijft hij regelmatig als ghostwriter. De relatie met de
journalistiek is daarbij volgens hem overduidelijk aanwezig. Je moet immers
kunnen schrijven, luisteren, interviewen, je moet soms uit een brij van
informatie een coherent verhaal kunnen maken. ‘Het gebeurt mij wel dat ik
iemand interview, waarna de betrokkene na afloop zegt: ‘Ik had niet gedacht
dat je er zo’n samenhangend geheel van kon maken’. Maar dat is natuurlijk je
vak. In beginsel zou iedere journalist dit moeten kunnen, al moet je je wel
kunnen verplaatsen in de persoon waar je voor schrijft. Ik heb twintig jaar
ervaring met ondernemers.’
Wieringa schrijft bijvoorbeeld voor captains of industry de columns in hun eigen
personeelsbladen. Maar hij verzorgde ook de tekst van een kok die een kookboek
wilde maken. ‘Ik schat dat ik voor een vijfde bezig ben met dit soort
opdrachten. Ik reken daarbij alles wat ik doe onder andermans naam. Artikelen,
speeches, columns, af en toe zelfs de tekst van een onderzoeksrapport.’
‘Er is natuurlijk wel een groot verschil met de journalistiek. Als journalist
dien je het publiek. Als ghostwriter dien je de opdrachtgever, die is de baas.
Da’s principieel anders. De opdrachtgever bepaalt wat er uitgesproken wordt.
Al is het mijn ervaring dat je als ghostwriter best wat verder mag gaan dan een
opdrachtgever soms wil. Een column moet immers wel prikkelend, soms provocerend
zijn. Achteraf vindt de opdrachtgever het dan eigenlijk wel leuk.’
En nog een verschil: ghostwriten betaalt beter dan de ‘traditionele’
journalistiek. Honoraria beginnen bij Wieringa rond de honderd euro per uur.
Daarbij gaat ook hij eerst een gesprek aan met degene wiens naam uiteindelijk
onder het stuk moet komen. Hij trekt er een uur, anderhalf uur voor uit. ‘Het
is in feite een gewoon interview. Het verschil is wel dat iemand in beginsel
alles wat gezegd is weer in kan trekken.’
Wordt het hebben van een ghostwriter ook als statusverhogend gezien in het
bedrijfsleven? Wieringa: ‘Nee, dat geloof ik niet. Ik heb zelfs een klant,
daarvan weet helemaal niemand, zelfs z’n eigen afdeling voorlichting niet, dat
een ander z’n teksten schrijft!’
Bij het schrijven van een speech of column heeft Wieringa drie criteria
ontwikkeld waar z’n werk aan moet voldoen: ‘Het moet niet uitmonden in
reclame, het stuk moet relevant zijn voor de doelgroep en het stuk moet
‘deviant’, afwijkend, zijn. Er moet een standpunt in zitten dat afwijkt van
wat je zou verwachten. Op die criteria check ik m’n teksten. Het zijn
overigens ook de criteria waar een redactie de ingezonden brieven op kan
selecteren.’
‘Ik vind ghostwriting geen vorm van tekstprostitutie. Je beoefent je ambacht.
Dat doe je goed en professioneel, je bewijst daarmee het publiek een dienst. Als
je als journalist iemand interviewt hoef je het toch ook niet eens te zijn met
die persoon om zijn uitspraken af te drukken. De lezer wordt bediend door een
helder stuk te lezen. Het belang van een redactie moet zijn: is dit een goed
verhaal!’
‘Bij Cruijff schreven we met opzet een beetje krom Nederlands’
Op de redactie van Voetbal International waren een paar, vooral oudere,
redacteuren belast met de ghostcolumns. Een columnist werd ‘begeleid’ door
een vaste redacteur, zodat ze aan elkaar konden wennen. Nederlof schreef zelf de
Van Hanegem-columns. ‘Dan belde je een tijdje met Van Hanegem en nam je de
afgelopen week door. Daaruit schreef ik dan de column. Bij de ene voetballer
legden we de tekst wel eerst voor, bij de andere niet, maar ik kan me niet
herinneren dat er ooit gedoe rond een column is ontstaan. Doorgaans hoorde je
niks als je gefaxt had. De redacteuren hier vonden het wel leuk om te doen. Je
probeerde het dan zo op te schrijven dat de taal van zo’n voetballer
herkenbaar werd. Van Hanegem had van die typische woordjes: ‘die gasten’ en
‘kwibus’. Bij Cruijff schreven we met opzet zoveel mogelijk als hij sprak:
een beetje krom Nederlands. Dan krijgt iemand in z’n column een eigen
gezicht.’
‘Ik mis het echt’, zegt Hans Klippus, plaatsvervangend chef van de
sportredactie van het Algemeen Dagblad. Hij kroop anderhalf jaar iedere maandag
in de huid van zijn eigen jeugdidool: Willem van Hanegem. Een paar maanden
geleden kwam er een einde aan, omdat de KNVB het niet zag zitten dat de
assistent-bondscoach een column had.
Iedere maandag, de slaap nog in de ogen vanwege een late sportzondag (‘Ik lag
doorgaans om half drie ’s nachts op bed’), reed Klippus met de auto naar
Overveen, een vlaai op de achterbank. Bij Van Hanegem thuis werd teruggekeken op
de afgelopen voetbalweek. ‘Ik ben er steeds heengegaan omdat dat volgens mij
de enige manier was waarop het werkte. Soms moest het wel eens telefonisch, maar
dan kreeg je toch een mindere column. Bovendien krijg je op zo’n manier
vertrouwen. En dat heb je echt nodig.’ Klippus trof die maandagen een
openhartige gesprekspartner, die in die zittingen het doorgaans had over ‘onze
column’. ‘Dat vond ik wel leuk. Willem beschouwde het echt als ons stuk.’
Als de tekst klaar was, ging het per fax naar de Van Hanegems. Klippus schat dat
een op de zes keer er een reactie kwam. Meestal omdat de vrouw van Van Hanegem,
die de column ook las, geen voorstander was van woorden als ‘klotezooi’.
‘Van Hanegem was er tegenover derden altijd heel open over dat-ie de column
niet zelf schreef. Ik schat dat 99 van de honderd lezers ook wel vermoedden
dat-ie niet zelf de auteur was. En wij deden er ook niet echt geheimzinnig over.
Ik heb nooit gedacht: wisten de mensen maar dat ik het schrijf! Ik ben 46, zit
inmiddels al een flink aantal jaren in de journalistiek. Dan hoeft dat niet meer
zo nodig. Ik kan me voorstellen dat jonge journalisten dat wat meer hebben.’
Klippus benadrukt dat-ie steeds uitkeek naar de ontmoetingen met zijn idool. Hij
nam zelfs de plakboeken die hij in z’n jeugd aanlegde over zijn held, mee naar
een van de gesprekken. Toen Van Hanegem een tijdje trainer bij Sparta was,
vonden de wekelijkse ontmoetingen plaats in een ongezellige kantine, na een
training. ‘Ik weet zeker dat de columns in die periode minder waren. Dat heeft
te maken met de sfeer.’
Toen Van Hanegem noodgedwongen met de column stopte, kreeg Klippus het signaal
dat ook de Kromme de wekelijkse bijeenkomsten miste. ‘Hij zag die
maandagochtenden blijkbaar als een uitlaatklep. Ik heb hem voorgesteld een
dagboekje bij te houden van wat hij als assistent meemaakt. Om er later een boek
van te maken. Ik zou dan bijvoorbeeld wekelijks de fragmenten bij hem ophalen om
ze te bewerken. Het is er nooit van gekomen.’
Bij het schrijven probeerde Klippus zoveel mogelijk de toon van Van Hanegem te
treffen. Directe zinnen, openhartig, simpel taalgebruik, met die typische Van
Hanegemwoordjes. ‘Anders is het zijn column niet.’
Volgens de AD-journalist is een goede vertrouwensband een absolute voorwaarde
voor het succesvol schrijven van een spookcolumn. ‘Willem is puur. Hij nam in
die sessies geen blad voor de mond. En krabbelde ook nooit terug. Een enkele
keer wierp ik wel eens tegen: maar Willem, zou je dat nou wel zeggen... Maar dan
zei-ie steeds: ’Maar dat vind ik gewoon!’.
Bij wie berust het auteursrecht wanneer een ghostwriter de
biografie van iemand schrijft die als autobiografie wordt gepubliceerd? Volgens
oud-journalist Wim Teeuwen (Eindhovens Dagblad) en gepromoveerd op auteursrecht
is daarop geen eenduidig antwoord te geven. Teeuwen: “Een typisch juridisch
antwoord is: dat ligt eraan. Dat lijkt een dooddoener, maar is het niet. Tussen
de ghostwriter en de persoon over wie de autobiografie
geschreven wordt, kunnen
verschillende verhoudingen bestaan. Die kunnen weer relevant zijn voor de
toewijzing en verdeling van het auteursrecht."
De mening van Gerard Schuijt, oud-secretaris van de NVJ en hoogleraar aan de
juridische faculteit van de Universiteit van Amsterdam,
is ondubbelzinnig: ”De Auteurswet houdt voor de maker
(auteursrechthebbende) degene die op 'het werk' staat aangeduid als de maker,
behoudens bewijs van het tegendeel. Als dat de feitelijke schrijver is, dan
wordt die dus geacht de maker te zijn. Als de opdrachtgever wil dat zijn naam
vermeld wordt en die van de feitelijke schrijver niet, dan wordt de
opdrachtgever voor de maker aangezien behoudens bewijs van het tegendeel.”
Het bewijs van het tegendeel kan bijvoorbeeld inhouden, dat de
kandidaat-opdrachtgever zegt: ‘Ik heb gesproken, en jij hebt het
(passief)opgeschreven, dus ik ben de maker’. Gerard Schuijt:
“Auteursrechtelijk kan dat. Ook het omgekeerde is denkbaar: de feitelijke
schrijver zegt: ‘Ja, jij hebt wel gesproken, maar ik heb er iets moois van
gemaakt en dat vond jij bij nalezing goed.’ Als de opdrachtgever het al na
las. Dit schijnt nogal eens met columns van sportmensen het geval te zijn.”
De ‘ghost’ leent dan meer zijn naam, dan dat hij echt opdrachtgever is. Het
auteursrecht hangt van de verhouding tussen ghost en feitelijke schrijver af.
Het beste is de twee die aan zoiets beginnen te laten afspreken wie het
auteursrecht toekomt. Kan overigens ook aan allebei toekomen, want een
gezamenlijk auteursrecht is ook mogelijk (in de literatuur zijn de voorbeelden
voorhanden: Betje Wolf en Aagje Deken; bij Joyce & Co is er zelfs een heel
collectief van samenstellers, dat de lezer niet met naam en toenaam kent).
De meest voorkomende situatie is dat de hoofdpersoon van de autobiografie
een ghostwriter opdracht geeft om te schrijven. De spookschrijver ontvangt
daarvoor een vooraf afgesproken honorarium en de naam van de ghostwriter blijft
onbekend. In dit geval is het simpel: de ghostwriter is een tekstschrijver die
bij levering het auteursrecht overdraagt voor eenmalige publicatie i.c. een
autobiografie. Voor inhoudelijke wijzigingen van het manuscript of voor ander
gebruik dan een autobiografie is echter altijd toestemming van de
oorspronkelijke auteur nodig. Deze hoofdregel is onder meer te vinden in de
leveringsvoorwaarden van Tekstnet, een beroepsvereniging van tekstschrijvers (www.tekstnet.nl).
(Art. 13 e.v.).
Het is ook mogelijk dat de geniepschrijver het initiatief heeft genomen
en zelf de hoofdpersoon heeft benaderd. Partijen worden het eens over de
honorering. Afgesproken is dat de naam van de ghostwriter (of een pseudoniem) in
de publicatie genoemd wordt, maar over het auteursrecht worden geen afspraken
gemaakt.
Teeuwen: “Ook in dit geval is naar mijn mening de hoofdregel van
Tekstnet van toepassing, in elk geval wanneer de ghostwriter bij pseudoniem
wordt genoemd. Er kunnen echter omstandigheden zijn die afwijking van deze
hoofdregel rechtvaardigen. Belangrijk is bijvoorbeeld de mate van creativiteit
en vakmanschap die de ghostwriter in het eindproduct heeft gestoken. Heeft hij
alleen een ingesproken tekst uitgetikt of heeft hij de autobiografie feitelijk
zelf geschreven met hulp van de hoofdpersoon? In dit laatste geval is de
ghostwriter als mede-auteur te beschouwen, zelfs als er niets over het
auteursrecht geregeld is.”
Over de inbreng van de ghostwriter kunnen echter wel bewijsproblemen rijzen. Wim
Teeuwen: “Om moeilijkheden te voorkomen doen opdrachtgever en ghostwriter er
verstandig aan hun zaakjes te regelen. Dat scheelt juridisch gedonder en een
regeling kan bovendien financiële voordelen voor de schrijver- in- de- schaduw
opleveren. Volledige overdracht van auteursrecht kan bijvoorbeeld in de
honorering worden verdisconteerd. Ook in dit geval behoudt de ghostwriter het
recht om wijziging of verminking van zijn product of gebruik in een andere vorm
te verbieden” (art. 25 Auteurswet.)
Verder speelt nog de vraag wie is aansprakelijk voor de eventuele onrechtmatige
inhoud van de autobiografie? Teeuwen: “Dat zijn altijd de hoofdpersonen .
Tenzij zij kunnen bewijzen dat niet zij, maar de ghostwriters de (auto)biografie
hebben geschreven. Voor alle veiligheid doen partijen er goed aan ook dat vooraf
te regelen.
Spookschrijvers in de Nederlandse literatuur
Wie
een klein onderzoek uitvoert naar ghostwriters in de Nederlandse literatuur komt
bedrogen uit. In het Kritisch Literatuur
Lexicon, een naslagwerk waarin de meeste Vlaamse en Nederlandse literaire
schrijvers zijn opgenomen, is te vinden dat Joyce & Co een
samenwerkingsverband is van een schrijversbende (Mick Broekhoff, J. Fonville,
Erwin Charles David Garden [pseud. v. Geerten Jan Maria Meijsing], Keith Kanger
Snell [pseud. v. Kees Snell], Frans H.B. Verpoorten jr. (filmer/fotograaf), en
Henk Willem Zeevat.
Er gaan geruchten dat menig literair debutant op het schild is gehesen
door literator Jeroen Brouwers, toen-ie nog eindredacteur was bij literaire
uitgeverij Manteau in Brussel. Evenals de verwijten dat sommige boeken van hem
berusten op afgekeurde manuscripten van toen. Hard bewijs is nooit geleverd.
Zo hebben Bezige Bij, Prometheus en andere literatire uitgevers eindredacteuren
in dienst die soms min of meer als spookschrijvers in de weer zijn. Ze
herschrijven, polijsten, veranderen, stileren, zonder dat de lezer er weet van
heeft. Er rust kennelijk een taboe
op. Bij navraag weten hoofdredacteuren van niets of zeggen van niets te weten.
Een van de weinige bronnen is het programma Knetterende
Letteren dat in april 1999 een uitzending wijdde aan het thema ghostwriters
in Nederland. Te gast waren Karima Ouchen, een Marokkaanse, die het boek Nooit geschreven brief aan mijn vader, door de antropologe Fenneke
Rijso
heeft laten schrijven. En
Yvonne de Vries, de ex van voetballer Ruud Gullit. Zij liet biograaf Bert
Hiddema Een voetbalsprookje. Mijn leven
met een sportheld optekenen. Hiddema maakte eerder biografieën over Johan
Cruijff en over Johnny Jordaan.
Hiddema noemt terloops de namen van Martin van Amerongen en van Martin Ros. Twee
ghostwriters die kennelijk heel wat op hun naam hebben staan zonder dat het
grote publiek daarvan kennis heeft.
Bronnen:
Knetterende Letteren, uitzending over ‘Ghostwriting in Nederland’, 8 april 1999, Radio 5, NPS
Met dank aan:
Ed van Eeden, Hans Klippus, Malik de Kok, Bert Nederlof, Juliette van Wersch (NPS), Gerard Schuijt (UvA) en W. Teeuwen
© Theo Dersjant - Piet Kaashoek 2003