Ga nooit op zoek naar de Waarheid 

(Piet Kaashoek)

Volgens de literator Bertus Aafjes ‘liegen dichters de waarheid’.  De filosoof Cornelis Verhoeven haalt zijn schouders op als iemand zegt ‘op zoek te zijn naar de waarheid’.  Sinds de postume  publicatie van How to do things with words, van de taalkundige John Austin,  bestaat er in de linguïstiek een waarheidsvacuum: niets is geheel waar, ja zelfs dat niet. Woorden drukken voortdurend een andere betekenis voor de spreker of de schrijver uit dan voor wie leest of luistert. Dus :‘Lees maar, er staat niet wat er staat”, in de woorden van de dichter Martinus Nijhoff.

De romantische beeldvorming van het vak van journalist is er een van de mudracketeer die dankzij vasthoudendheid en ondanks tegenwerking van allerlei overheden erin slaagt de Waarheid aan het licht te brengen.  Goed beschouwd bestaat deze Waarheid, met hoofdletter, niet.  Sterker nog, wat de waarheid van heden blijkt te zijn, is de leugen van morgen.  Ideologieën ruimen snel het veld. Wat  bijvoorbeeld eerst  een verworvenheid van het communisme heette, verwordt tot gesel van het neo-kapitalisme, zoals thans in Rusland blijkt.

Vooral de taalwerkelijkheid verandert. Wat in de media sinds jaar en dag een positieve betekenis heeft uitgestraald – het gaat om het woord ‘asielzoekers’ – kan onder invloed van de beschreven werkelijkheid, als ‘waar’ gepresenteerd,  pejoratief worden. Hoe vaker de politiek en de media berichten over ‘asielzoekers als probleem’, hoe negatiever dat begrip zich tussen de oren van het grote publiek zal nestelen.

Mijn stelling is dat een journalist  er beter aan doet  de zoektocht naar de Waarheid te staken.  Laat het publiek zelf concluderen, op basis van een genuanceerd gepresenteerde werkelijkheid, waar hoor en wederhoor een vaste plaats krijgen.  Met mediavoorbeeld uit verleden en  heden zal ik deze beweringen onderbouwen.

 

Journalistieke waarheid

In 1967 voerde Israël de zesdaagse oorlog. In minder dan geen tijd stonden de joodse troepen aan het Suezkanaal, althans… Op de foto, in Nederlandse kranten geplaatst, was generaal Moshe Dayan afgebeeld, de bekende bevelhebber van toentertijd met dat zwarte lapje voor zijn ene oog. Het onderschrift luidde dat de generaal op de westoever van het Suezkanaal op de foto was gezet. De plaat was tegen de avond genomen. Wie de afbeelding en het onderschrift aan een nader onderzoek onderwierp, ontdekte al snel dat de slagschaduw zich rechts van Dayan bevond. Het Suezkanaal was links op de foto zichtbaar. De conclusie kon en kan slechts zijn dat de waarheid en daarmee ook de werkelijkheid geweld werd aangedaan. De joodse generaal bevond zich niet op een westelijke, maar op een oostelijke oever. Van een bruggenhoofd, waarover het artikel repte, was geen sprake. Sterker nog: was het water op de achtergrond wel dat van het Suezkanaal?

Begin jaren zeventig stortte er iets neer in het noorden van Canada. Bij nader onderzoek bleek dat het niet ging om resten van een UFO maar om radioactieve brokstukken.  Op de foto van dit ruimteschroot was  in het cyrillisch schrift een notatie zichtbaar, technische informatie. Koppen als ‘Russische spionagesatelliet neergestort in Canada’ zetten de toon. Vooral het woorddeel ‘spionage’ in combinatie met het bijvoeglijk naamwoord ‘Russische’ bracht de Koude-Oorlogsstemming tot een hoogtepunt.  In werkelijkheid was het geen spionagesatelliet, maar een kunstmaan die voor meteorologische waarnemingen diende. Geen journalist die tot rectificatie overging.

In de jaren tachtig sneuvelden vele ideologieën, ook die in Roemenië. Oude systemen maakten plaats voor nieuwe, meestentijds kapitalistische. De dagen van dictator Ceauçescu waren geteld. Zijn geheime dienst, de Securitate, zou onder tegenstanders vreselijk hebben huisgehouden. Beelden op televisie van lijken, vaak gruwelijk verminkt. De wereld was geschokt bij het zien van zoveel doden. Maar zagen de camera’s, de ogen van de wereld, wat ze moesten zien? Nee. De werkelijkheid was dat de complete inhoud van het mortuarium  in een massagraf was geschoven. Gestorvenen op wie sectie was verricht zien er weinig flatteus uit. Deze werkelijkheid werd later bekendgemaakt door een onderzoeksteam van Amnesty International, niet door journalisten.

 

Filosofische waarheid

Cornelis Verhoeven, classicus en filosoof, werkt in het essay ‘Alètheia: de prehistorie van een wijsgerig begrip’ de waarheidsvraag voor de filosofie uit.  De etymologie van het woord ‘alètheia’, Grieks voor ‘waarheid’, brengt het waarheidsbegrip geen steek verder. Homerus gebruikte dit begrip steeds in combinatie met werkwoorden die met communicatie te maken hebben: ‘zeggen’, ‘vertellen’ en ‘opsommen’. Homerus hanteert het waarheidsbegrip in combinatie met volledigheid, in de zin van  ‘alle details noemen’.  De waarheid bij de Grieken is niet meer en niet minder dan de verzameling van correct opgesomde feiten.  De volgorde van die feiten en de interpretatie daarvan heeft op zich niets met de waarheid te maken. In de Ilias, in het XII-de boek, regel 433, komt een spinster voor, die Alèthès heet. Zij is het prototype van iemand die niets vergeet, die heel zorgvuldig is, die steeds rekenschap aflegt van wat zij doet.

Emile de Strycker geeft in zijn Beknopte geschiedenis van de antieke filosofie (1980) voortdurend de speurtocht naar de waarheid van de klassieke filosofen weer.  Van Parmenides van Elea (circa  515 - 460 v. C), die een leerdicht, een lofzang op de waarheid,  in twee delen schreef, waarvan het eerste deel heet ‘de Weg der Waarheid’ tot  de filosoferende medicus Sextus Empiricus (omstreeks 150 n.C) die de notie van waarheid als waardeloos bestempelde.

 

Taalkundige waarheid

De scheidslijn waarheid - werkelijkheid  en grammaticaal – semantisch welgevormd werd door de taalkundige Austin, en in zijn voetspoor , Searl, Ayer en Russell weggevaagd. Simpel gesteld: Wat logisch en  waar is, hoeft nog geen werkelijkheid te zijn. Wat grammaticaal correct is, is daarmee nog niet juist. Er is een heftige polemiek gevoerd over de zin: De koning van Frankrijk is kaal. De zin voldoet aan de grammaticale en semantische regels van, in onze situatie, het Nederlands. In een bepaalde tijd, historisch zelfs exact te bepalen, had Frankrijk wellicht een koning die kaal was. ‘Was’ in de vorige zin. De voorbeeldzin staat in de tegenwoordige tijd. En zoals de meeste taalgebruikers weten, heeft Frankrijk geen koning, maar een president. Niet dat de huidige ambtsdrager een volle haardos heeft, maar kaal is Chirac allerminst.  Iedereen zal de zin als onwaar en onwerkelijk van de hand wijzen. Het taalfilosofisch debat over de voorbeeldzin is uitvoerig beschreven in S. Levinson, Pragmatics, 1983.

In de jaren tachtig en negentig zijn er veel gruwelijkheden in de media voor het voetlicht gebracht: het studentenprotest in China op het Plein van de Hemelse Vrede, de slachting onder Irakese burgers en militairen ten tijde van de Golfoorlog, de horrorbeelden van concentratiekampen in ex-Joegoslavië, de uitgehongerde bevolking als gevolg van oorlogshandelingen in Afrika. Wat is waar en wat is er  werkelijk gebeurd? Een voorbeeld: Uit Nederlandse media ten tijde van het studentenprotest in China op Tiananmen Square komt het beeld naar voren van tienduizenden doden. NRC Handelsblad brengt zelfs het cijfer van 60.000 doden op de voorpagina. Deze getallen waren op dat moment de werkelijkheid, althans in de hoofden van de verslaggevers die ter plaatse waren. Onder hen bevond zich Frénk van der Linden, die daar toen  zat voor De Tijd. Uit zijn getuigenissen van toen blijkt nu achteraf  dat de grote  aantallen doden waren ingegeven door het hoge adrenalinegehalte, opgelopen door de spannende uren die waarnemers toen meemaakten. En door misinterpretatie van het woord ‘victims’. Er is nu eenmaal een verschil tussen een slachtoffer en een dode. Zo is niet iedere bloem een  tulp, maar omgekeerd is dat wel het geval. Uit onderzoeken van Amnesty International en Van der Linden zelf – hij ging later terug om er mensen te interviewen -  kwam naar voren dat er 264 doden  waren gevallen, meestentijds burgers die door tanks, op weg naar het plein,  waren overreden. Op Tiananmen Square zelf viel niet één dode.

 

Werkelijkheid a.u.b.

De waarheid  en  de Waarheid, met hoofdletter, hebben vele gezichten.   Journalisten moeten op zoek gaan naar de werkelijkheid. Die blijkt erg lastig te vinden, ja soms weerbarstig te zijn.  Dat heeft ook Ken Starr, de onafhankelijke onderzoeker in de Lewinsky-zaak, ondervonden. Ondanks de honderden pagina’s feiten en feitjes over de seksuele contacten tussen Clinton en zijn minnares, ontkent de Amerikaanse burger de werkelijkheid. Een meerderheid blijft achter de president staan.  Sterker nog: deze troefkaart van de Republikeinen oktober – november 1998 in de verkiezingsstrijd  uitgespeeld, leverde zelfs winst op voor de Democraten.

Hoe ver de werkelijkheid soms van de waarheid af is,  valt te lezen in het prachtige essay van  George Steiner, getiteld ‘Language and silence’ in de bundel After Babel.  Daarin beschrijft hij dat de nazi’s  er een handje van  hadden de werkelijkheid en de waarheid altijd anders voor te stellen.  Het is niet toevallig dat er  boven de toegangspoort van concentratiekampen spreuken hingen in de trant van ‘Arbeit adelt’ of ‘Arbeit macht frei’. De ontluizings- en doucheruimtes hadden een andere bestemming, zoals wij allen weten. 

Journalisten, schrijf over asielzoekers in  nauwelijks verwarmde legertenten, en gebruik niet de aanduiding ‘tijdelijke opvang’ voor dergelijke onderkomens. Laat zien dat er  tientallen kazernes, patronaatsgebouwen, scholen  en kerken leegstaan. Dat er hotelaccommodatie zat is. Dat grote groepen ontheemden de illegaliteit worden in gedreven. Bericht over de werkelijkheid!

 

Geraadpleegde literatuur:

J. Austin, How To Do Things With Words, Oxford University Press, Oxford,  1962/1975 (2).

Stephen C. Levinson, Pragmatics, Cambridge University Press, Cambridge, 1985(2).

George Steiner, After Babel, Oxford University Press, Oxford, 1975.

Emile de Strycker, Beknopte geschiedenis van de antieke filosofie, De Nederlandse Boekhandel, Antwerpen, 1980 (2).

Cornelis Verhoeven, Een velijnen blad. Essays over aandacht en achterdocht, Ambo, Baarn, 1989.