Oom Char had geen tante Betje

 (Piet Kaashoek)

 De schuilnaam van taalzuiveraar dr. Gerard Nolst Trenité luidde Charivarius. In familiekring verkort tot Sjar, oom Char. Charivarius begon in 1909 in weekblad De Amsterdammer, de voorloper van De Groene, een taalrubriek, die hem in Nederland beroemd en berucht maakte. Een van de bekendste bundeling stijl- en taalopmerkingen met de titel  Is dat goed Nederlands? verscheen in 1940. September 1946 rolde de zevende druk van de naoorloogse persen, even voor het overlijden van deze schrijver, docent, regisseur (van toneel), vertaler (van klassieken) en dichter (van  Ruize-Rijmen).

Charivarius kwam in zijn taalrubriek en in  Is dat goed Nederlands?   met de stijlfout ‘tante betje’ op de proppen; een taalfout waarbij de woordvolgorde van de deelzin (in nevenschikkend verband) niet correspondeert met de woordvolgorde van het voorafgaande deel.  Met een voorbeeld: Volgende week vrijdag introduceert de krant de nieuwe vormgeving en hopen wij dat u haar op prijs stelt.  De inversie in de zin na ‘en’  (hopen wij) is ten onrechte gekozen.

Met angst en beven doken journalisten, hoofdredacteuren en andere beroepsschrijvers wekelijks op de rubriek in De Amterdammer, speurend of  hun schrijfsels of blad Charivarius tot voorbeeld hadden gediend.  In hoofdstuk 10 van  Is dat goed Nederlands, recent is een herdruk verschenen, ingeleid door Wim Daniëls,  schrijft Charivarius over de tante betje: “Ik heb deze fout lang geleden naar mijne toen reeds hoogbejaarde tante Betje genoemd, omdat die wonderlijke wending al hare brieven ontsierde (…). Maar het is bekend dat nog verscheidene jonge tantes, tal van journalisten en zelfs uiterst voortvarende handelslieden haar voorbeeld eerbiedig volgen.”

Gedurende mijn  bijna twintig jaar docentschap aan een school voor journalistiek heb ik nooit een tante betje in teksten van journalisten in spe gezien.  Dat wil uiteraard niet zeggen dat dit type fout niet voorkomt. Nader onderzoek moet uitwijzen of dit soort fouten in oud en recent journalistiek werk aantoonbaar is. Ik heb grote twijfels.  Uit de introductie op deze heruitgave van Is dat goed Nederlands? blijkt dat Gerard Nolst Trenité een rijke fantasie bezat. Hij had geen tante die Betje werd genoemd. De enige die in aanmerking kon komen, Wilhelmina Elisabeth Trenité, in 1918 in Haarlem overleden op tachtig jarige leeftijd,  heette in huiselijke kring ‘Willemien’, verkort Mientje.

Heeft de huidige generatie journalisten iets aan dit toonaagevende taaladviesboek uit de jaren veertig en vijftig van deze eeuw? Welke inhoud schotelt Charivarius de lezers voor? In een kleine honderd pagina’s gaat hij in op onder meer pleonasme, deelwoord, naamvallen, meervoudsvorming, vervoeging en voorzetsels. Een flink deel van dit boekje gaat over  de –ismen (gallicisme, germanisme, anglicisme), dus over woorden uit het Frans, Duits en Engels die op een verkeerde manier vertaald in het Nederlands beland(d)en. Is dat goed Nederlands?  eindigt met notities bij aanhalingstekens, spelling en interpunctie.

Bij het pleonasme laat oom Sjar ons weten dat dit de meest voorkomende fout is. “De krant zou aanmerkelijk kortere en frissere lectuur opleveren als al de overtollige woorden geweerd werden.” Tot de pleonasmen rekent Charivarius woordgroepen als ‘tijdig redden’, ‘groene gras’, ‘witte sneeuw’.  Huidige taaladviesboeken,  waarvan Renkema’s Schrijfwijzer  (1995) zeker een van de bekendste is, gaan genuanceerder met deze ‘fout’ om. In de Schrijfwijzer is meer aandacht voor de versterkende betekenis van dit type pleonasme.  Zwartwit redeneringen zoals bij Charivarius (goed – fout) hebben plaats gemaakt voor minder normatieve uitspraken over taalgebruik.

Bij meervoudsvormen meldt Charivarius onder de rubriek ‘Zuiver Nederlandse woorden op –e die in het meervoud uitsluitend een –n krijgen’: baten, schaden, beloften, boden, boeten, gemeenten, gevaarten, gewoonten, gezindten, groenten, leemten, reden, ziekten. De enige uitzondering is volgens hem ‘lentes’. In het nieuwe Groene Boekje (1995)  kennen met uitzondering van ‘baten’ alle vormen twee meervouden: schades, schaden, beloftes, beloften enzovoorts.  Dat heeft meteen consequenties voor de spelling. Zodra het eerste deel van de samenstelling een woord is zoals ‘schaden/-s; gemeenten/-s etc.’, het  eerste lid van de samenstelling  kent een dubbel meervoud, wordt de tussen –n niet gespeld: schaderegeling, gemeentedag enzovoorts.

Volgens Wim Daniëls in de Inleiding op Is dat Goed Nederlands? is de opmerkelijkste wijziging in de verschillende drukken het opnemen van het woord ‘vergassen’ in de oplage van  (november) 1942. Charivarius gaf in het hoofdstuk ‘Het juiste woord’ aan dat het woord ‘vergassen’  niet correct is, wel ‘door gas doden’.  Daniëls noemt de opneming  van ‘vergassen’ in het boekje anno 1942 een verzetsdaad.  Een telefoontje naar het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD)  geeft uitsluitsel: In 1942 kon Gerard  Nolst Trenité weten dat de nazi’s systematisch hun slachtoffers vergasten. De BBC en een dag later Radio Oranje berichtten voor het eerst op 26 juni 1942 dat  700.000 Poolse  joden waren vergast. Het woord ‘gaskamer’ viel voor het eerst in een BBC-radiouitzending op 29 juli 1942. Deze feiten meldde dr. Lou de Jong in zijn oratie op 21 september 1967. Het ligt voor de hand dat illegale bladen zoals Vrij Nederland, Het Parool, De Waarheid deze informatie in hun kolommen opnamen. In 1935 had Charivarius  aan een kennis met NSB-sympathieën geschreven: “…als je je bij de NSB aansluit, geef je te kennen, dat je je geestelijke vrijheid voorgoed opgeeft en alle burgers helpt dwingen dat te doen.”  De en-zin in het citaat loopt niet helemaal lekker, eufemistisch uitgedrukt.

Schrijvers van nu  kunnen zich  lezend in Charivarius’ Is dat goed Nederlands? verbazen over de stelligheid waarmee bepaalde meningen over taal- en stijlproblemen voor het voetlicht komen, gniffelen om de  gekozen beeldspraak (een brabbelend volk is als een leger in lompen), ergeren aan de onwetenschappelijkheid (Charivarius veegt bijvoorbeeld  alle deelwoorden op een hoop;  bij het verschijnen van  Is dat goed Nederlands? in 1940  was C.H. den Hertog, Nederlandse Spraakkunst dé grammatica. De drie delen van deze spraakkunst, in de jaren 1892 tot 1895 verschenen, geven theoretisch wat Charivarius’ boekje ten dele mist: precisie, uitvoerigheid en toepasbaarheid van taalregels,  helder beschreven.

Lachen met Charivarius kan ook. De houdbaarheidsdatum van een taalgedicht dat begint met de regel ‘k Zie schapen, witgewold is niet overschreden.  De eerste vier regels, van dit uit 1913 stammende gedicht, uit de bundel Charivari (1913) luiden:

 

                                               ‘k Zie schapen, witgewold

                                               ‘k Zie rid- en runders draven,

                                               ‘k Zie vo- en vlegels zich

                                               Aan wa- en bitter laven.

 

Charivarius, Is dat goed Nederlands?, ingeleid door Wim Daniëls, Sdu, Den Haag, 1998, I-XXXVIII,112 pag.,  fl. 29,95