Schrijftaal versus Sprekerlands

 (Piet Kaashoek)

 Wie een taalhistorische publicatie als die De Vooys (1951) opslaat komt er snel achter dat de normen van het Nederlands in de zestiende maar vooral in de zeventiende eeuw vorm krijgen. De Twe-spraack van de Nederduitsche Letterkunst, uitgebracht in 1584  door  Hendrik Laurensz. Spiegel,  is de eerste renaissance spraakkunst. Spiegel breekt een lans voor het Nederlands als taal van de universiteit.

Het boekje is opgebouwd zoals een Latijnse schoolgrammatica: van ‘d’eyghen grondwoorden end’ uytheemsche termen’ (Nederlandse woorden versus leenwoorden)  tot en met  ‘vande t’samenvoeghing ende ryckheyd des taals’ (syntaxis). Daarin rijtjes voor de verbuiging, met de zes Latijnse naamvallen. Ook allerlei geslachtsregels en uitzonderingen komt de lezer in de Twe-spraack tegen. De Vooys schrijft over deze regelzucht: “Ten dele berustte dit op oudere geschreven taal, voor een ander deel was het een kunstmatig samenstel. De gesproken taal kende geen onderscheid meer tussen nominatief  (eerste naamval) en accusatief (vierde naamval)”.  De spreektaal loopt hier al op de schrijftaal vooruit.  En zoals altijd gaat de praktijk voor de leer, loopt regelgeving achter op de alledaagse werkelijkheid.

Twee grote taalprojecten in de zeventiende eeuw gaven een stoot in de richting van normering van het Nederlands en die van de schrijftaal in het bijzonder. Protestantse theologen hadden veel kritiek op de bijbel van Deus-Aes (1562). De Synode van Dordrecht (1618-1619) stelde twee colleges in die moesten waken over een getrouwe omzetting van de grondtekst in het Nederlands: twee groepen translateurs zorgden voor de vertaling van Oude en Nieuwe Testament. Twee groepen reviseurs beoordeelden de prestaties van de vertalers. Taalkundige problemen losten de groepen bij meerderheid van stemmen op.

De Muiderkring, een genootschap dat geregeld op het Muiderslot vergaderde, hield zich bezig met de zuiverheid van de Nederlandse taal. Pieter Corneliszoon Hooft, Joost van den Vondel, Huygens en Ampzing spraken en schreven over normering van de schrijftaal. Deze club heeft veel invloed gehad op de vorming van het Nederlands dat wij nu nog schrijven en spreken. De blatende ‘a’, de open klinker, kreeg toen zijn vorm in het schrift, namelijk twee dezelfde tekens: Wie kende in die tijd niet het protestlied tegen de Spanjaarden, getiteld: “Maaraanen neemt ons weg’. Een ‘maraan’ is een scheldwoord voor  donkergekleurde Spanjool, de verbastering van ‘moor’, een tot het christendom bekeerde ‘heiden’. 

Journalistieke en literaire teksten in vroeger eeuwen  waren soms lang, zeer lang.  Ook gesproken boodschappen zoals redevoeringen en preken konden tamelijk langdradig zijn. Dat blijkt onder meer uit de dichtregels van de achttiende eeuwer Anthony Staring:

 

                               Ik ging bij A. ter preek; Z., onder ‘s Mans gehoor

                               Meê luisterend, begint mij aan te stooten,

                               En mompelt: Goede kost, maar met lang nat begoten!

                               Men dient ze best op een vergiettest voor.

 

Schrijvers als Jacob van Lennep, Jan Frederik Oltmans, Nicolaas Beets, Conrad Busken Huet en Aarnout Drost pakten in de vorige eeuw flink uit. De 19de –eeuwse literator en lezer hadden veel belangstelling voor historie, voornamelijk geëntameerd door de Britse schrijver Scott, de bedenker van de historische roman. Vooral de middeleeuwen figureerden vaak in deze  19de-eeuwse romans  en  berijmde legenden. Dat leverde verhalen op, lange verhalen. Dikke boeken in een tijd dat lezers veel tijden hadden.

De negentiende eeuw is bovendien de tijd van het sprookje.  Volgens dr. P. Sipma, inleider op Friese Volkssprookjes, is er voor 1834 geen schriftelijke bron van deze volksvertellingen te vinden, althans in Nederland.  Sprookjes waren  als het ware volkse preken. Verhalen voor lange winteravonden. Verhalen voor bij het haardvuur. Gesproken teksten die het moesten hebben van vertellers. Iedereen kon er het zijne of het hare aan toevoegen. Het was wellicht zoals nu met een mop brengen.  Bij de derde aflevering wordt het allemaal nog erger, nog leuker, nog angstiger, nog smeriger.

De gebroeders Grimm beleefden hun hoogtijdagen in 1819, bij de verschijning van  de tweede druk van Kinder- und Hausmärchen. Zij kregen veel navolgers.

Hier schreef Van Lennep tussen 1828 en 1831 vier berijmingen onder de naam Nederlandsche Legenden. Thematiek van dit werk: taferelen van de strijd tussen de Friese heidenkoning Radbout tegen de tot christen gemaakte Franken, de geschiedenis van Vlaanderen en die van Jacoba van Beieren.

De historische romans van Jan Frederik Oltmans, zoals Het slot Loevestein in 1570, verschenen in 1834 en De Schaapherder (1838) maken lezen  trouwens nog altijd tot een plezier, evenals  het historische en humoristische werk van Van Lennep. Ook de boeken van Bosboom – Toussaint zijn nogal altijd te lezen. Wat betreft stof koos de negentiende eeuwse literator het verleden. Het hier en nu was kennelijk minder interessant. Schrijvers keken achterom.

De schrijver-criticus die zich het meeste bezighield met  poëtica, met de stijlleer, met de vraag hoe te vertellen, in geschreven vorm,  was Busken Huet. Toen Huet in 1862 ontslag nam als predikant van de Waalse gemeente verbond hij zich aan de Opregte Haarlemmer. Een veel voorkomende keuze voor wie ‘om den brode’ wilde gaan schrijven.  Een krant  overigens die tot op de dag van vandaag bestaat, maar dan als Haarlems Dagblad. Bovendien werd hij de vaste criticus van De Gids, een van de oudste nog altijd verschijnende literaire tijdschriften. Het ideaal van Huet was een persoonlijke stijl en bovenal een persoonlijk oordeel. Hij maakt de kachel aan met critici die zich richten op abstracties. Deze criticus richt zich bovenal op 'dit’ boek en op ‘deze’ auteur. Het verzamelen van kennis van de auteur en van de personages die in teksten voorkomen, is Conrad Busken Huets ultieme doel. Zijn oordeel over de dichter-schrijver Jacob Cats (rijmelaar en kwezel’) is niet mals. Een citaat:

                “… eene zoo ergerlijke middelmatigheid, een zo gemeene en gemeenmakende geest…. Met zijne door en door laaghartige moraal, zijne leuterlievende vroomheid en keutelachtige poëzie heeft hij onnoemelijk veel kwaad gesticht. Zijne populariteit is eene nationale ramp geweest.”

Busken Huet, een man naar mijn hart. Het zal, zoals over Cats,  maar over je geschreven worden! Waarnaar was Huet nu op zoek in een tekst? Naar passie, en nog eens passie.  Kunst, en dus ook een geschreven tekst, diende hartstocht op te wekken. Iets wat driften oproept, dient eveneens gepassioneerd te zijn gemaakt, was zijn stelling.  Literatuur mocht in de optiek van Busken Huet nimmer vervelen.

Geschreven en ook gesproken  teksten moesten spannend zijn. Deze criticus bewonderde  tijdgenoten als Potgieter, Bosboom-Toussaint, Thijm en Starink. Later kwam hij in contact met Multatuli, iemand die hij hoog had  zitten. Van de vorige generaties was hij vooral gecharmeerd van de schrijvers van de 17de eeuw, en wel Pieter Cornelisz. Hooft in het bijzonder. Vooral het gebeeldhouwde Nederlands, een prachtig voldragen Nederlands dat in Hoofts Historiën het beste tot zijn recht kwam, bewonderde Huet. Deze taal, de volzin die lezers ook in de Statenvertaling aantreffen, werd de norm. Huet is op zijn best in het boek Het land van Rembrandt. Ondertitel: Studiën over de Noord-nederlandse beschaving in de zeventiende eeuw.

Van de courantiers uit het verleden die zich met stijl bezighielden,  moet zeker de naam van Jacob Campo Weyerman worden genoemd. Deze schilder-schrijver overleed in 1747 op 69-jarige leeftijd in de gevangenis. Hij oordeelde over zijn schrijvende tijdgesnoten: “De Nederduitsche Courant vereischt zo wel een uitgestrekte kennis aller taalen, als der nederduitsche taal. De Courant vereischt een Man, die het Nieuws eenvoudig, getrouw, en beknopt behandelt.” Zijn dat niet ook de eisen die lezers van nu aan krantenberichtgeving mogen stellen?

Informatie op eenvoudige, betrouwbare en beknopte wijze gebracht. Het ideaal verwoord in drie begrippen. Kom daar eens om bij journalisten anno 21ste eeuw. Dikke bijlagen (wie leest alles?), moeizame teksten waaruit het  literair geknutsel van de maker blijkt (wie zit er op een gemankeerde literatir te wachten?) en onbetrouwbare informatie (wie vindt dat Onze Majesteit ongelijk heeft als ze zegt dat de leugen regeert?).

Schrijftaal versus spreektaal?  Geef mij maar de fraaie volzinnen in gebeeldhouwd Nederlands van Pieter Cornelisz. Hooft. Het is een genoegen zijn Historiën te lezen. Gelukkig hebben we een tijdgenoot die hem evenaart. En dat is Geert Mak, journalistiek en schrijver van prachtige historiën.  

© Piet Kaashoek