Sportjournalistiek
vetgaaf
(Piet Kaashoek)
Niet alleen de namen van grote drinkers maar ook die van
grote sportjournalisten leven voort. Wie kent niet Jan Cottaar, met zijn
wielrenverslagen voor de radio? Of de opgewonden standjes vanTheo Koomen, God
hebbe zijn ziel, die live, achterop de motorfiets, zijn commentaar gaf tijdens
etappes in de Ronde van Frankrijk? Of
Jan Mulder, weliswaar nog in leven en nu al een legende, getuige zijn
eigenzinnige stukken in de Volkskrant en zijn televisieoptreden in het
WK-voetbalprogramma van Barend en Van Dorp, ‘Villa BVD’ genaamd?
Of Mart Smeets, altijd goed voor bon
mots? Of Tim Krabbé, de
wielrennende schrijver? De
sportjournalistiek loopt over van talent. Sportjournalist
is vetgaaf, zoals mijn zonen van 13 jaar het uitdrukken. En schromelijk
onderschat.
Waaruit blijkt dat sportjournalistiek voorop gaat? De
huidige generatie sportjournalisten bedienen zich van frisse beeldspraak, hebben
gevoel voor drama en heroïek, brengen sportprestaties terug tot menselijke
proporties, kunnen sporters en situaties uitstekend karakteriseren, hebben oog
voor emancipatoire aspecten van sport, zijn literair begaafd, bezitten een neus
voor historisch belangwekkende (sport)nieuwsfeiten, brengen steeds meer
berichten voor een groeiend publiek, zijn breed inzetbaar en beschikken over de
gave hun publiek te entertainen.
Een van de meest verbreide misverstanden over
sportjournalistiek is dat deze tak van verslaggeverij bol zou staan van de clichés.
In Marc De Costers Woordenboek van
populaire uitdrukkingen, clichés, kreten en slogans staan in het register
26 uitdrukkingen die passen
bij het thema van dit naslagwerk. Enkele sport-voorbeelden uit deze publicatie
zijn: ‘ uit iemands hol weg demarreren’, ‘iemand het snot voor de ogen
rijden’ ‘voetbal is oorlog’. Om deze uitspraken in
het kamp van het cliché te plaatsen, komt mij overdreven voor.
Zeker, de eerste en de tweede kwalificatie uit de wielrennerij zijn
plastisch, maar daardoor juist bruikbaar. En
dat ‘voetbal als oorlog’ een mooie verzameling, zeer journalistiek
geschreven reportages oplevert, heeft Simon Kuper in zijn gelijknamige boek
bewezen. Kuper opent zijn verhaal
‘Voetbal als oorlog’ met de treffende zinnen: ‘Het wordt misschien anders
wanneer Servië voor het eerst tegen Kroatië uitkomt, maar voorlopig is de
grootste vete in het Europese voetbal die tussen Nederland en Duitsland.” En
wat is de werkelijkheid in 1998, tijdens het WK Voetbal in Frankrijk? Hoe pakte
de vijand-metafoor toen uit?
Britse zondagkranten berichtten in geuren en kleuren van de
val van ‘die Mannschaft’ tijdens het WK Voetbal 98. De krant ‘News of the
World’ ging wel erg ver door te koppen: ‘Nog meer goed nieuws: de Duitsers
liggen er ook uit’. Wie er nog meer uitlagen? De Argentijnen, met wie het
sinds de Falklandoorlog niet meer goed is gekomen. Nederland schakelde de
aartsrivaal van de Engelsen uit, en
wel met 2-1. De maker van het winnende doelpunt, de Nederlandse spits Dennis
Bergkamp, moet volgens hetzelfde zondagblad worden geridderd door de queeen,
“ook al is hij een buitenlander”. Duitsland
uitgeschakeld, en het vermaledijde Nederland toch maar in de halve finale tegen
wereldkampioen Brazilië! Wat een triomf, wat een drama! En hiermee zijn
belangrijke aspecten van sport en van
sportjournalistiek in beeld: drama en heroïek, aansluitend bij de metafoor van
‘vijand’.
De diepste wanhoop en het grootste succes zijn te vinden in
de marathon, de hardloopwedstrijd die onverbrekelijk verbonden is met
de Olympische Spelen. Professor Michel Bréal verzon ter
gelegenheid van de eerste moderne Spelen in 1896 de legende van de soldaat
Pheidippides, die al hardlopend ruim
42 km aflegde om in Athene verslag uit te brengen van de Slag bij Marathon.
Dankzij sportjournalisten weet sinds 1960 de hele wereld dat tijdens de
Olympische Spelen in dat jaar in Rome Abebe Bikila als eerste Afrikaan de
marathon won, en wel op blote voeten. De
aandacht voor zwarte atleten was vanaf nu een feit. Wim van Hemert schrijft in
zijn boek Marathonklassiekers dat
Bikila halverwege de schoenen, waaraan hij niet gewend was, had uitgetrokken en
weggegooid. Bikila finishte na 2 uur, 15 minuten en 16 seconden. De gehele
wedstrijd had de Ethiopiër geen druppel gedronken. Vier jaar later prolongeerde de Afrikaanse atleet zijn
Olympische titel op dit onderdeel in Tokio.
Toen de als tweede geplaatste Japanner Kokichi Tsubaraya op de meet door
wereldrecorhouder Basil Heatley op de derde plaats werd gezet, voelde de
Japanner zich voor eigen publiek zo vernederd, dat hij enkele maanden later in
een depressieve bui een einde aan zijn leven maakte. Deze sportnieuwsfeiten, zo
tot menselijke proporties teruggebracht, leven voort bij het grote publiek.
Sportjournalisten durven meer dan andere journalisten. Zij
werken meer met beelden, en roepen een wereld op die voor de kijker, de
luisteraar en de lezer o zo
herkenbaar is.
Neem Mart Smeets, altijd
goed voor enkele mooie zinnen tijdens Studio Sport of in
WK Voetbal Journaal. Samen met Jean Nelissen verzorgt Smeets al sinds
mensenheugenis, zo lijkt het, voor
de NOS het Tour-nieuws. In zijn boekje Stoempen,
snot en sterven, een soort Tour-dagboek uit 1990, typeert Smeets een aantal
wielrenners treffend: de Rus Djamolidine Abdoujaparov is een ‘klein kereltje,
ballonkuiten en een vriendelijke hoofdknik’. Over de Fransman Thierry Marie
merkt Smeets op: “Ik heb een zwak voor deze man. Ik val op ogen, naar nu
blijkt dus ook op mannenogen. Marie heeft kijkers in de kleur licht-licht blauw.
Een man met zulke ogen mag winnen.” Wat opvalt is dat de NOS-verslaggever
prima waarneemt, en een uitstekend oog voor het sprekende detail heeft
De grens tussen sportjournalistiek en literatuur vervaagt,
zoals blijkt uit de expositie ‘Woorden tussen de wielen’, over wielrennen in
de literatuur, gehouden in het Letterkundig Museum in de zomer van 1996, het
jaar dat de Tour de France in Nederland begon. Ex-wielrenner Peter Winnen kreeg
toen het eerste exemplaar van de bloemlezing ‘Woorden tussen de wielen’, uit
handen van Tim Krabbé. Van Krabbé waren op deze tentoonstelling handschriften
van ‘De Renner’ te zien, een in 1978 verschenen boek, dat als klassieker
bekend staat. Even klassiek zijn de
gedichten van Nico Scheepmaker in zijn bundel
Hopper’s Holland uit 1973.
Daarin staat het mooie ‘Een supersonisch lied’, een hommage aan Johan
Cruijff, en “Verlengd sonnet”,
geschreven voor Piet Keizer. De tweede strofe van dit sonnet, een ode aan ajacied Piet Keizer, luidt:
Hologig, met een gratis fietsenstalling,
waar hij, vóór in de mond, zijn schaarse woorden stalt,
heeft hij al menigmaal de bal in t’ doel geknald,
al was dat vaak een moeilijke bevalling.
Sportjournalistiek heeft ook nog eens historische waarde, zoals duidelijk werd tijdens
de expositie ‘Woorden tussen de wielen’.
Polygoonbeelden van 1954 toonden de start van de Tour in dat jaar in
Amsterdam. Dit jaar herleeft de legendarische
radioverslaggever Jan Cottaar, die elke wielrenwedstrijd zo beeldend kon
schetsen voor de luisteraar. Zoon Peter Cottaar heeft plannen om
zes van zijn vaders beste uitzendingen
op het World Wide Web aan te
bieden. Wie wil luisteren en huiveren, kan dus terecht op het Internet.
Het aandeel van sportjournalistieke
bijdragen gerelateerd aan de totale nieuwsvoorziening per
jaar is toegenomen.
De volgende cijfers geven een trend aan, en zijn niet bedoeld om als
exact meetpunt te dienen. Het gaat om de berichten van het ANP over de jaren
1990 tot 1997. In die periode is het aantal journalisten op de burelen van het
persbureau constant gebleven: nu veertien
personen tegen dertien in 1990. Wat opvalt zijn de producties per jaar. In de
rubrieken BIN-BUI-ECO, bij elkaar genomen, vond de gebruiker van het net in 1990
ruim 47000 berichten. In dat jaar verschenen
er zo’n 10.500 sportberichten op het ANP-net. Vorig jaar zaten er in BIN-BUI-ECO
bijna 59000 teksten naast ruim 21500 sportberichten.
De conclusie is dat het aantal sportberichten in acht jaar is verdubbeld. Ook
is de verhouding sportnieuws – BiBuEc-nieuws danig veranderd. Was het kwantum
sportnieuws in 1990 nog geen kwart van het totaal, in 1997 is dat bijna
aangegroeid tot veertig procent van alle ANP-berichten.
Sportjournalistiek is vernieuwend. Het duo Van Kooten &
De Bie, taalvernieuwers bij uitstek, hebben met de belevenissen van prof. Karel
van Loenen (Kees van Kooten) en diens sponsor Gijsbert van der Kolk (Wim de Bie)
de toon gezet. Nogal wat neologismen zijn in sketches en in verhalen van dit duo
terechtgekomen.
Zo beschrijft Kees van Kooten in het verhaal
L’écrivain (in de bundel Veertig),
een zege tijdens het WK Wielrennen. Een citaat: “Veertig meter na de streep
dansen er twee Belgische damesbonbons op de nieuwe wereldkampioen af, jubelend
op hun te hoge hakken. Staan laten dat beeld! Gelukkig: de Tjechische cameraman
ziet het ook.” Mooie beelden komt
de kijker in sportverslaggeving tegen. Mooie beelden, frisse beeldspraak, ze
lachen de lezer en de kijker-luisteraar tegemoet.
Ook nieuwe woorden als ‘zweefzadel’ en ‘klapschaats’, niet door
het duo Van Kooten & De Bie
bedacht overigens maar door sportjournalisten, zijn
inmiddels gemeengoed.
Sportjournalistiek is breed. Sportjournalisten zijn
tegenwoordig ook journalist en hebben aandacht
voor nieuws. Als Duitsland in Frankrijk tijdens het WK Voetbal een
wedstrijd speelt, en hooligans gaan op de vuist met Tunesiërs die in Marseille wonen, dan maken alle media daar
melding van. Sport en politiek gaan
steeds vaker samen. Het begon in de jaren zeventig met protestacties tegen het
WK Voetbal in Argentië, waar toen de generaals nog aan de macht waren tot het weliswaar
zwakke misprijzen in 1998 tegen deelname aan het WK van landen
als Nigeria en Joegoslavië, landen waarin mensenrechten met voeten worden
getreden, en naties waar letterlijk bloed aan de paal kleeft.
Sportjournalisten die slechts als doorgeefluikjes van sportfeiten functioneren,
zijn nu op de vingers van een hand te tellen.
Sportjournalistiek is amusement voor een massapubliek.
Iedere voetbalwedstrijd die Nederland tijdens
het WK Voetbal speelde, keken er meer mensen. Het oude record uit 1994
toen ruim tien miljoen landgenoten tijdens de wedstrijd Denemarken-Nederland
voor de buis zaten, werd dit jaar overtroffen. De match Argentinië-Nederland trok bijna elf
miljoen mensen. De wedstrijd van Oranje in de halve finale tegen Brazilië
bracht eenzelfde aantal ertoe af te stemmen op Nederland 2 om de wedstrijd te
volgen. De voor- en nabeschouwingen waren
goed voor urenlang televisie en radio. Wie
niet van voetbal houdt en toch radio wil luisteren of televisie wil kijken
tijdens een wedstrijd heeft pech. De
commerciële omroepen proberen met het herhalen van series een kijkerspubliek te
winnen, maar de cijfers van de dienst Kijk- en Luisteronderzoek spreken
boekdelen. Sport wint het op alle fronten. Sportjournalistiek voert het
klassement aan.
Piet
Kaashoek