Spelling volgens het Groene Boekje (1995)

Inleiding

In een eerder artikel over nieuwe spelling in De Journalist (8/3/96) is  uiteengezet dat de veranderingen  van de oude (1954) in de nieuwe spelling (Groene Boekje)van 1995 beperkt van karakter zijn. Het gaat om tien categorieën woorden die er in de nieuwe spelling anders zijn gaan uitzien. Deze tien groepen zijn in de nieuwe Woordenlijst der Nederlandse taal (1995) opgenomen.  In het bijgaande overzicht een nadere uitwerking van de vernieuwing. Tevens is daarbij rekening gehouden met Spellingwijzer Onze Taal, onder redactie van Jan Renkema e.a. (1998).

 

I.                     Voorkeurspelling

II.                   Accentekens

III.                 Vrouwelijke ee-regel

IV.                 Tremagebruik

V.                   Aaneenschrijven

VI.                 Tussen –s-

VII.               Tussen –n-

VIII.             Vernederlandsing

IX.                Vervoeging van Engelse werkwoorden

X.                  Lettergreepregels

 

 

I.                     Voorkeurspelling

De voorkeurspelling is  sinds 1995 tot norm verheven.  Die speelt voornamelijk  een rol zodra een taalgebruiker voor de spellingkeuze c of k staat, of qu - kw.  In 39 gevallen wijkt de voorkeurspelling uit 1954 af van die van 1995.  Helaas zijn er nog dubbelvormen blijven bestaan, zoals fuchsia – foksia;  cineast – kineast; orkestreren - orchestreren. Maar ook: literatuur naast litteratuur. De verwachting is dat bij de komende verandering (medio 2005) deze uitzonderingen zullen verdwijnen.

Waarom de voorkeurspelling ‘produktie’ is veranderd in ‘productie’ laat zich verklaren met de onderliggende werkwoordsvormen. Wie van het zelfstandig naamwoord (product, productie; publicatie….) een werkwoord maakt (produceren, publiceren) ziet dat de schrijfwijze van het zelfstandig naamwoord met –c- beter bij het woordbeeld past. De enige uitzondering die bleef is ‘akkoord’ naast ‘accorderen’.

In bepaalde gevallen is de voorkeurspelling (1954) in 1995 gecorrigeerd. Dat is het geval in fotocopie (1954), nu fotokopie (1995). Wat was de fout? Het woord kopie (met k)  was en is voorkeurspelling (1954)(1995). Er stonden in de oude Lijst twee vormen (kopie – copie), beide als voorkeurspelling vermeld. Dat kan natuurlijk niet.

Een woord als kroket (in 1954 toegestane spelling; toen  was ‘croquet’ de voorkeurspelling) is tot voorkeurspelling verheven. Waarom is afgeweken van de eerdere afspraken? Uit woordfrequentieonderzoek bleek dat dat woord steeds als ‘kroket’ werd gespeld. Vandaar.

 

II.                   Accenttekens

Het dakje (accent circonflexe) is op de klinkers a, o en u verdwenen. Woorden als debacle, controle en ragout worden voortaan zonder dat accentteken geschreven. Omwille van de uitspraak is het dakje op de e, in Franse woorden, blijven staan: gêne, crêpepapier, enquête, fêteren. Er zijn enkele uitzonderingen: ook in vaste uitdrukkingen of in vaste combinaties  blijft het dakje staan:  coûte que coûte, wien Neêrlands bloed door de ad’ren vloeit. In dit laatste voorbeeld vervangt het dakje een lettergreep.

 

III.                 Vrouwelijke ee-regel

In woorden als entree en dictee kwam de taalgebruiker twee e’s tegen zonder een accentteken. De Franse varianten, waarbij een woord eindigt op é,  geven aan dat de spreker of de schrijver de mannelijke variant van dat woord bedoelt: introducé, prostitué, attaché etc. Wie de vrouwelijke vorm van dat woord voor ogen heeft, plakte achter het mannelijke woord (op –é) een –e: introducée, prostituée …. De nieuwe spellingregel luidt dat deze –ee’s zonder accentteken geschreven moeten worden: introducee, prostituee, logee, attachee e.d.  Het meervoud van de mannelijke en de vrouwelijke varianten moet met een vaste –s: introducés, prostituees.

 

IV.                 Tremagebruik

Tussen woorddelen in een samenstelling, waarbij op de woordgrenzen sprake is van botsende klinkers, verdween het trema en kwam het koppelteken ervoor in de plaats: zeeëgel wordt: zee-egel;  dus ook: na-apen, radio-omroep, toe-eigenen e.d. Geen koppeltekens in combinaties als ao, ea, eo, ii, ij, oa, eij en ue; ook in afgeleide begrippen op ‘achtig’ komt er geen koppelteken in het woord: chaos, bearbeiden, geopenbaard, heiig, bijou, coassistent, individuen, geijverd, lenteachtig etc.

Het trema bleef in afgeleide woorden zoals  knieën, geëerd en in getallen (drieëndertig). Let erop dat een woord als twintigste-eeuwse een koppelteken krijgt.

 

V.                   Aaneenschrijven

Stilzwijgend zijn knopen doorgehakt: in de oude lijst (1954) was de keuze er nog: bijvoorbeeld (één woord) naast bij voorbeeld ( twee woorden). De tendens bestaat zoveel mogelijk  de drie- en meerledige samenstellingen aan elkaar te schrijven (waarom  overigens: aaneenschrijven, naast: aan elkaar schrijven?): teraardebestelling; kortebaanwedstrijd, eerstelijnsgezondheidszorg. Let op: broodje-aap; drie-in-de-pan;  naam + woord: Max Havelaar-koffie. Samenstelling van twee woorden + woord: Rode-Kruispost etc.  Engelse woorden: spin-off. Combinaties met een cijfer: 1-meiviering

 

VI.                 Tussen –s-

De nieuwe toepassing van de regels van de tussen –s- leidt tot een vrijere toepassing. De regels luiden: Je mag een –s- in een samengesteld woord schrijven zodra je die klank ook uitspreekt: meningsverschil. Als je die –s- niet uitspreekt, bijvoorbeeld in wet(s)tekst, dan mag de –s- al dan niet worden geschreven. Beide vormen zijn correct. Gaat het om een niet-hoorbare –s, schrijf dan een –s- zodra die klank in andere samenstellingen wel hoorbaar wordt: rechtszaak (geen hoorbare –s-), wel hoorbaar in woorden als rechtSmiddelen e.d.

 

VII.               Tussen –n-

De nieuwe regel van de tussen –n- in woorden luidt: De tussen –n verschijnt in samengestelde woorden waarvan het eerste deel uitsluitend een meervoud heeft op –en: stratenplan, koeienkop enzovoorts. Op deze regel bestaan zes groepen uitzonderingen: 1. Kent het eerste woorddeel geen meervoud of heeft het een dubbel meervoud, dan ontbreekt de –n-: rijstebrij, aktetas; 2. Het eerste woorddeel betreft een unieke persoon of zaak: Koninginnedag, zonnehemel; 3. Het eerste woorddeel is een dierennaam, het tweede deel een plantkundige aanduiding: paardebloem, muizetarwe; 4. Het eerste deel is een lichaamsdeel en de samenstelling is verouderd: kinnebakken, ruggespraak; 5. De samenstellende delen zijn als afzonderlijke woorden niet langer herkenbaar: flierefluiter, bolleboos; 6. Het eerste deel heeft een versterkende betekenis en het geheel is een bijvoeglijk naamwoord: reuzegrote, boordevolle

 

VIII.             Vernederlandsing

Bepaalde woorden zijn vernederlandst: ae wordt e, in woorden als: propedeuse, pre, preses, mediëvist. In een catergorie woorden verdwijnt de y en maakt plaats voor –i-: oxideren, oxide, oxidant, waterstofperoxide etc.

 

IX.                Vervoeging van werkwoorden

Vooral de Engelse werkwoorden gaan zich in het Nederlands gedragen alsof het Nederlandse woorden zijn: faxen – faxte – gefaxt; finishen – finishte – gefinisht.

 

X.                  Afbreekregels

Het verdelen in lettergrepen en het afbreken van woorden werd enigszins aangepast. Nieuw is dat aan het begin en het einde van een woord niet een losse klinker mag voorkomen: stu – dio (en niet: stu – di- o) en ate-lier (en niet: a-te-lier).

 

Eenvoudig gesteld zijn de spellingafspraken die in 1954 golden voor het gros ook in 1995 van kracht. Van de 124 gepresenteerde regels in de Spellingwijzer Onze Taal (1998) is het merendeel  niet nieuw. Sterker nog: in 1954, in de oude spelling, waren ze, op een enkele uitzondering na,  eveneens van toepassing. De nieuwe spelling en de vooral de regelzucht van de  Nederlandse Taalunie nam Hugo Brandt Corstius in december 1995 op de hak. Hij typeerde de nieuwe spelling als het werk van sadomasochisten. Wie bedenkt er nu zo’n ingewikkeld systeem met uitzonderingen op uitzonderingen op uitzonderingen? De leerbaarheid van de nieuwe spelling, een van de belangrijkste argumenten  van politici toentertijd om akkoord te gaan, is ver te zoeken.  Wie geeft nou een lijst met ruim 110.000 woorden (in de Woordenlijst) en 45.000 woorden (in de Spellingwijzer Onze Taal)? De indruk van volledigheid ontstaat. Iedereen kan bedenken  dat de (taal)werkelijkheid anders is. Er zijn miljoenen woorden niet opgenomen, woorden die wellicht de stevigheid van het spelbouwsel aantasten.

Het is nuttig in een boek als Spellingwijzer Onze Taal allerlei regels eens op een rij te zetten, maar de student en de journalist hebben meer behoefte aan een simpel setje met afspraken. Met dat gereedschap zou de taalgebruiker in voorkomende gevallen allerlei nieuwe spellingproblemen moeten kunnen oplossen. Met de komst van Spellingwijzer OnzeTaal, en met 124 regels, is dat ideaal nog ver weg.

 

Spellingwijzer Onze Taal, onder redactie van Jan Renkema e.a. Uitgeverij Contact – Wolters-Noordhoff, 1998, 623 pag. f 25,--

© Piet Kaashoek