Afscheid van  roomse gluipkop en spijsgeer Cornelis Verhoeven (1928-2001)

Het moet omstreeks 1986 zijn geweest. In ieder geval maandagmorgen  om 9.00 uur. De plek: het terrein van het Wilhelmina Gasthuis, het WG, in Amsterdam. Filosoof en classicus Cornelis Verhoeven, een onooglijk schrale maar toch verrassend lange man, komt de te hoge, kaalwandige collegezaal binnen.  Het oude ziekenhuis als bakermat van wijsbegeerte. Aan de ruimte te zien,  moet het in een vorig leven een derde klasse of een  nog goedkopere oud-ligplaats van zieken zijn geweest.  Meer dan tweehonderd studenten van de Universiteit van Amsterdam vallen stil als de hooggeleerde Kees, uit Udenhout, van het Brabantse platteland,  zijn mond opendoet. Als een  orakel van Delphi spreekt hij dit eerste college Klassieke filosofie  twee uur achtereen over de vertaling van één Grieks woord, over ‘sfaira’, waarin nog het  woord ‘sfeer’, vergelijk ‘atmosfeer’, valt te herkennen.

Waarom sprak Verhoeven zo lang over de omzetting van dit woord in het Nederlands? Hij wilde duidelijk maken dat Griekse filosofen lezen, vertalen en interpreteren  een ingewikkeld intellectueel karwei is.  Zo komen er voor  ‘sfaira’ twee Nederlandse  begrippen in beeld: ‘bol’ of ‘bal’.  Omstandig legde hij uit dat de eerste vertaling onzinnig was: in het Griekenland van drie duizend jaar geleden was een bol een leeg object. En bij filosofen gaat het altijd om de inhoud, en niet om ‘lucht’, zoals hij zijn gehoor bijbracht. Nee, het diende ‘bal’ te zijn, want zo’n voorwerp was destijds gemaakt van klei, omwikkeld met leer en als buitenschil voorzien van paardenhaar.  En zijn filosofen niet op zoek naar de waarheid? Willen zij de waarheid niet geboren laten worden, zoals Socrates  met zijn vroedvrouwentechniek beoogde? Vraag, op vraag,  op vraag. Alle schilletjes afpellen, totdat de kern overblijft?

 

Trein

Bij toeval zat ik die avond in dezelfde trein tegenover hem, op weg van Amsterdam naar Den Bosch. Eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik mijn kans hem te treffen had berekend. Nog zie ik hem zitten in het eerste klasse rijtuig. Geen groter contrast dan die oude, wat shabby zaal eerder die dag.  Hij zoog gulzig de rook van zijn sigaret naar binnen. Tijdens ons gesprek bekende hij dat hij  in sommige dingen onmatig was. Soms vreetbuien had. Steeds de grenzen verkennend, juist  in het denken. Op mijn vraag of hij de waarheid wou vinden, gaf hij een ontkennend antwoord.

Later ben ik zijn werk gaan lezen, op zoek naar die ene vraag: Wat is waarheid? Verhoeven werkte in het essay ‘Alètheia: de prehistorie van een wijsgerig begrip’ de waarheidsvraag voor de filosofie uit.  De etymologie van het woord ‘alètheia’, Grieks voor ‘waarheid’, brengt het waarheidsbegrip echter geen steek verder. Homerus gebruikte dit begrip  steeds in combinatie met werkwoorden die met communicatie te maken hebben, met  ‘zeggen’, ‘vertellen’ en ‘opsommen’. Homerus hanteerde het waarheidsbegrip in combinatie met volledigheid, in de zin van  ‘alle details noemen’.  De waarheid bij de Grieken was kennelijk niet meer en niet minder dan de verzameling van correct opgesomde feiten.  De volgorde van die feiten en de interpretatie daarvan heeft op zich niets met waarheid te maken. In de Ilias, in het XII-de boek, regel 433, komt een spinster voor, die Alèthès heet. Zij is het prototype van iemand die niets vergeet, die heel zorgvuldig is, die steeds rekenschap aflegt van wat zij doet.

Nee, op de waarheid had Verhoeven het niet zo. Hij had meer aandacht voor de werkelijkheid. Het moet pijn gedaan hebben toen columnist Hugo Brandt Corstius hem  in 1980 als  ‘roomse gluipkop’  bestempelde, toen-ie de  P.C. Hooftprijs won. Want  mooi schrijven kon  Kees  Verhoeven.  Hoe mierzoet was zijn wraak  als juryvoorzitter bij de voordracht van Hugo Brandt Corstius voor dezelfde prijs, vijf jaar later.  De toenmalige minister van WVC, Elco Brinkman, weigerde.

 

Mooischrijverij

Verhoeven laat  een groot oeuvre na: honderden artikelen, tientallen boeken en columns onder meer voor HP/De Tijd.  Het mooiste boek vind ik de essaybundel  Een velijnenblad, over aandacht en achterdocht. Het beste in de schrijver komt boven als hij neuzelt over raakvlakken, over verbanden tussen dichter en dromer. Over werkelijkheid en waan.  Als hij 7  regels  uit de bundel Oosters van de dichter J.H. Leopold  exegeert, zie ik hem weer staan zoals toen in het Wilhelmina Gasthuis.  Kalm en sonoor sprekend, zonder stemverheffing. Duidelijk articulerend.  Schrijvend in volzinnen, want aan blafzinnen had hij een broertje dood. Korte zinnen, in krant en in tijdschrift enige tijd in de mode, deed hij af als Feldwebeltaal. Dat waren voor hem tekstjes die pasten in een plattepettencultuur. 

De opvatting van Plato over poëzie en filosofie kunnen in het werk van Verhoeven met hoofdleters worden geschreven.  In de Politeia  (607 B-C) meent deze grote denker dat filosofen een club van waanwijzen vormen, die een gewichtigheid aan de dag leggen door te leuteren over futiliteiten en die tegen dichters blaffen als keffertjes, in wie zij feitelijk hun meester moeten erkennen. Poëzie als concentraat van denken. Een gedicht als een verstilde samenballing van waarheid. De woorden van Bertus Aafjes zoemden waarschijnlijk steeds door zijn hoofd, dat dichters de waarheid liegen.

 

Afscheid

Een enkele treinreis maakte ik nog met Verhoeven, van Amsterdam naar Den Bosch. Te weinig misschien om hem echt te leren kennen, maar genoeg om een beeld van hem op te bouwen.  Kees  wilde als jonge katholiek, opgeleid aan het seminarie in St.-Michielsgestel -  dat hij als een vroeger leven bestempelde - paus worden. Grijpen naar de allerhoogste.  De werkelijkheid bleek dwingender dan het katholieke keurslijf, dat hij aflegde als een slang  haar huid. Hij stapte over naar Nijmegen om er klassieke talen te studeren. Na zijn promotie begon Cornelis Verhoeven in 1956 als leraar aan het Jeroen Bosch College in Den Bosch. Daar bleef hij 28 jaar, totdat hij in 1984 aan de UvA wijsbegeerte ging doceren.  Altijd was  hij  aan het dreutelen, zoals hij dat zelf noemde. Zat soms een hele dag achter zijn bureau, pen en papier in de aanslag. Want ook daar was hij onmatig in: het verzamelen van beelden, van metaforen.  Schrijven, mooi schrijven, de eeuwigheid bezweren.  Filosofie als vorm van poëzie.  Met instemming citeerde hij de dichter Lucebert, die het niet op filosofen had voorzien en er smalend over schreef en sprak als over spijsgeren.  Er zijn geen fraaiere afscheidregels dan die van deze dichter, voor de  maandag 10 juni  overleden filosoof en mooischrijver:

 ‘laat ze gaan die wijsbegeerte

drie dode dichters

in een grijsleren huid

op een walm van woorden’

Daaraan kan ik slechts in het Brabants toevoegen, steevast bij ieder  afscheid : Oudoe, oudoe, oudoe!  Want Kees Verhoeven uit Udenhout was een scherpe geest, met een groot,  gevoelig hart. En een gewone boerenzoon, die oog had voor scharrelende kippen. Op zoek  naar details in de werkelijkheid die soms het mysterie van de waarheid onthullen.

 

Piet Kaashoek