“Ik heet ook Ali”

 Zelden heb ik zo’n mooie foto van  Wim  Kok in de krant mogen aanschouwen. Op het plaatje was de premier te zien, gehuld in traditionele Pakistaanse kledij (type soepjurk zoals mijn overgrootmoeder die nog droeg), getooid met een afhangende tulband. Hij zag eruit als een Westerse woordvoerder van de Taliban. Iemand die aan een te dure buitenlandse Business School  heeft gestudeerd. Die met zilveren mes en vork kan eten. Die voortdurend met twee woorden spreekt. Die zijn moderne talen kent. Kok en minister Herfkens (de laatste minister die wij nog hebben voor Ontwikkelings Samenwerking) op  pad. Waarom was onze eerste man met in zijn kielzog  de enige ontwikkelingswerker die Nederland  kent in den vreemde?  En waarom nu?

Het duo was in Pakistan om met de lokale sheriff te onderhandelen volgens het poldermodel. Te praten, te soebatten over vreemdelingen uit het buurland, die absoluut niet verdwaald zijn, zeker. Dat moet ongeveer zo gegaan zijn: Kok: “Grote dank voor de buitenaards hartelijke ontvangst in uw prachtige land. Mag ik u mijn rechterhand, mijn maatje voorstellen?” Tot Herfkens: “Snel, kom hier, Eveline, en geef meneer  Musharraf een handje. Een diepe buiging hoort erbij. Verder snaveltje toe, al kost het je moeite.  Treed daarna terug in mijn voetspoor.” Daarna tot de Pakistaanse premier: “Kunt u de grens met Afghanistan niet opengooien? Daar heb ik al het geld uit de pot Ontwikkelings Samenwerking voor over. Uiteindelijk kunnen de miljoenen arme buren, door onze gezamenlijke vrienden de Amerikanen gebombardeerd,  beter bij jullie dan bij ons worden opgevangen. ” 

Hoe het afliep is bekend. De als Pakistani verklede Kok ving bot bij Pervez Musharraf, die zijn voornaam eer aan deed. De donker kijkend generaal, aan de macht dankzij een staatsgreep waarover niemand het meer schijnt te hebben, wenst opvang in veilige gebieden in het buurland. Deze kleine soldaat maakte nog gewag van de weigerachtige houding van het Westen, met name van Australië. Dat land wilde  zelfs niet eens  400 Afghanen opnemen. Het leurde weken met die mensen. Ondertussen dreigden de paria’s  te verhongeren en om te komen van de dorst, rondzwalkend over de oceaan.  Ten langen leste parkeerden de Ausies  de verschoppelingen op een woest eiland, ver weg van de bewoonde wereld. Wat een goedheid! Wat een naastenliefde! Wat een dubbele moraal! Einde polderlands gesprek

Kok en Maat, beiden PvdA,   waren juist dezer dagen in Pakistan om de binnenlandse, zeer Hollandse  verkiezingskaravaan vlot te trekken. Thuis gaf de ploeg acte de presence in het vernieuwde Olympisch Stadion in Amsterdam. Wat me tegenviel van Feyenoordfan Ad Melkert, tevens lijstaanvoerder van de socialisten.  Daarbuiten, in het verre en warme Aziatisch land, twee boegbeelden van nationaal streven naar opvang van vluchtelingen. Noeste werkers uit de lage landen bij de zee, die het beste voor hebben met ontheemden. Gehuld in traditionele Pakistaanse kledij, getooid met een tulband die  van achter in een sliertje hangt. Het signaal was overdonderend duidelijk: “Ik ben een van jullie.” “Ik heet ook Ali.” Jammer dat de verkleedtruc dit maal niet werkte.

 

 Piet Kaashoek