Adieu,
adieu mon général
Partir est mourir un peu! Afscheid nemen is een beetje doodgaan, zoals de Fransen zeggen. Een reconstructie hoe het grote afscheid in de politiek in z’n werk is gegaan. Ik kies voor militaire precisie en voor dito aanduidingen. Wie van de negen kleine negertjes heeft zich het mooiste van het politieke hek laten vallen?
Als eerste komt soldaat 2e klasse, Jan Pronk op. Een persoontje dat altijd voor de troepen wil uitlopen. De ideoloog van de PvdA. Iemand met nog laatste restjes rood bloed in de aderen. Deze Jan soldaat heeft er geen zin meer in. De bebrilde, kalende mr. Bean wenst niet langer zandhaas, pispaal, kop van Jut te zijn, ook al denkt de Tweede Kamer daar anders over.
Vervolgens treedt de kleine korporaal, Frank de Grave, in diens voetspoor. Frankje, de enige minister van Defensie die steeds over het hoofd wordt gezien. In plaats van dit Graafje krijgt altijd iemand anders een hand. Als een ware strijder, in marine blauw, getooid met de VVD-tweekleuren stropdas, zwaait hij dreigend naar de legertop. Met gebalde vuistjes mept hij en passant wat platte petten neer. Uiteindelijk heeft het parlement veel, veel te mild over Frankie geoordeeld. Hij gaat vast met vakantie naar Hollywood.
Dan stampt luitenant Annemarie Jorritsma naar voren, terwijl ze oma Els Borst en haar debiele zusje Tineke Netelenbos meesleurt, elk aan een frêle armpje: ‘Wij gaan er ook van door, hoor! Jullie hebben ons nooit serieus genomen! Wij zijn het zat steeds als schuttersputjes of als latrines te worden gebruikt. Lekke puhhh! ’ En de leden der Staten-Generaal, in vergadering bijeen, zagen dat het goed was.
Sergeant Klaas de Vries, de bromsnor van Paars-2 zonder dat attribuut , wringt zich naar voren. Voor dat doel heeft-ie zijn beste maatpak aantrokken, al knelt het bij de schouders. Al zijn de valse vouwen als je hem van achteren bekijkt, zichtbaar. Zijn lichaamstaal is helder: Voor een ramp zoals in Enschede hoef ik niet af te treden. Voor een catastrofe ’s nachts in Volendam kom ik mijn bed niet uit. Voor een volkerenmoord met 7.000 slachtoffers neem ik wel verantwoording. De kamerleden, op blaaskaak Marijnissen na, buigen het hoofd in stilte.
De majoor in de buitendienst werkzaam, Jozias van Aartsen, voelt erg mee met zijn VVD-confrère De Grave. Stamelend laat deze steile stoethaspel, die in de houding geboren lijkt te zijn, weten dat er overal good en bad guys zijn. Dat het allemaal de schuld is van die Servische Bosniks, die, ja, van die …hoe heet-ie ook al weer? Dat het geheugen van deze bewindspersoon niet verder reikt dan twee dagen, is het parlement genoegzaam bekend.
Kolonel Benk Korthals van Justitie ontwaakt op dat moment uit z’n roes. Het is achteraf moeilijk vast te stellen of we met alcohol of met een andere drug te maken hebben. Het kan geen toeval zijn dat hij slechts kan uitbrengen: “Waar is het toilet?” Zeker op zoek naar bolletjes in de uitwerpselen van de in Nederland en daarbuiten zo fameuze slikkers. De Kamer reageert niet eens meer.
Ten slotte generaal Kok. Zichtbaar bewogen. Iemand die het
allemaal niet in de kouwe kleren is gaan zitten. Iemand die de weduwen van
Srebrenica recht in de ogen wil kijken. Indrukwekkend, zoals hij uitlegt hoe
zijn diepste zielenroerselen hebben
opgespeeld. Hier is iemand aan het woord die boven zichzelf uitstijgt, en die
een waardig afscheid verdient. Adieu,
adieu, mon général.
Piet Kaashoek