Help,
Nederlands politieke dieren in de Antwerpse Zoo!
Koninginnedag is een goed
moment om Nederland te ontvluchten. De Koninklijke Hoogheden dalen éénmaal per
jaar neder om zich eventjes onder het klootjesvolk te begeven. Het plebs van de
Laagste Landen bij de Zee mag weer eens koekhappen, zaklopen en zich collectief
als Jostiband gedragen.
Tijd voor republikeinen en voor mensen met gezond verstand de plaat te
poetsen. Weg naar een land in de
buurt. Zo kwam ik in Antwerpen terecht, en… bezocht de Zoo. Bij de rondgang
daar zag ik ze, de politieke dieren uit Nederland: de Ad’s, de Hansen, de
J-P’s, de Thom’s en de Pimmen.
In de eerste kooi huisde een
zielig trillende baviaan. Zo eentje die voortdurend wordt geslagen en gepest.
Zijn rode wangen en vuurrode ietwat opgezwollen
kont duidden op ongewenste intimiteiten. Hier woonde een verslagen
exemplaar, verstoten uit de groep. Onwillekeurig
moest ik aan Ad Melkert denken. Die net op zijn flikker had gekregen van de
partijvoorzitter zelve en van de
grand old man, van de opperbaviaan van Nederland. Beiden hadden het nog zo
gezegd: ‘Je moet je meer laten gelden, Ad!’ En bij elke lettergreep van dit
zinnetje had-ie een mep voor z’n kop en een schop tegen z’n bavianenkont
gekregen.
Daarnaast bevond zich het
verblijf van de giraffes. Die kregen net eten,
toen ik gehaast voorbij wou lopen. Want met deze wandelende magen op
stelten heb ik weinig. Toen één van de kleintjes het grootste mannetje van achteren wilde naderde, schopte de
flinkste langpoot hard achteruit. Meteen dacht ik aan Hans Dijkstal: Langnek,
ontsnapt uit de Efteling. Zo eentje die met verbaasde ogen achteromkijkt, maar
eerst wel flink naar achteren trapt. In zijn geval naar de PvdA.
Jarenlang dikke maatjes. En dan, in het zicht van de verkiezingen,
de rooien schofferen en
uitsluiten. Lekkere vent, die
Dijkstal!
Aangekomen bij de uilen,
trof me de overeenkomst tussen de tovenaarsleerling van de christenen, van
Jan-Peter Balkenende en de grote
Oehoe. Een argeloze bezoeker heeft niet in de gaten dat het om een roofdier
gaat. Die o- zo- zachtaardig lijkt. Maar die zich intussen tegoed doet aan een
dode mus, symbolisch voor Paars-2. Die
met zijn klauwen zijn prooi vasthoudt en met zijn scherpe snavel stukjes
uit de erfenis van Kok pikt. Wat een killer, die uil!
In gedachten verzonken
botste ik bijna tegen het hek dat een kudde herkauwers omzoomde. Allemaal
afstammelingen van het rund, in soorten en maten. De oerfamilie van onze eigen
stieren en koeien, de burgermannen en – vrouwen onder de dieren. Daar stonden
en lagen de herkauwers van D66, de Thom de Graafen. Bij elke scheve, malende
muil kreeg ik ook Laurens-Jan Brinkhorst, de grootste dierenvriend van Paars-2,
de man van miljoenen MKZ-kadavers, op
mijn netvlies. Vlug schoot ik de hal, vlakbij de uitgang binnen. En daar voltrok
zich een klein wonder.
Op de klanken van
nichtenband Queen voerde een zeeleeuw, nat, bloot, glanzend, een
one-man-show op: In de felle lampen van de spots draaide hij koket zijn
achterlijfje naar het publiek. Vervolgens maakte
hij op zijn staart een pirouette voor enthousiast klappende bewonderaars.
Eén nichtenvin als een afhangend handje in de lucht: de Pim Fortuyn van
Antwerpens Zoo aan het werk. Halsoverkop ben ik de stad van het Vlaams Blok, het
kraaiennest aan de Schelde, het rovershol van
Filip de Winter ontvlucht.
Piet Kaashoek